Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens de Grondwet is voor de verkrijging van het kiesrecht noodig, dat men voldoe aan de kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijk en welstand, door de wet te stellen. Getrouw aan de Grondwet, heeft de wetgever van 1896 onderscheidene kenteekenen van geschiktheid en welstand aangewezen, die voor het kiesrecht in aanmerking doen komen; gelijk wij reeds zagen, hangt volgens het thans geldend recht de kiesbevoegdheid samen met: belastingbetaling, betaling van huurwaarde, het genot van inkomen of pensioen, eigendom van zekere bedragen op het grootboek of bij zekere spaarbanken en capaciteit, gebleken door een examen.

Geen dezer voor het kiesrecht gestelde vereischten kan den toets der critiek doorstaan. AVij zagen reeds, tot hoe ernstige bedenking zij, bij de behandeling der kieswet, aanleiding gaven. Gaan wij thans nog kortelijks de hoofdbezwaren tegen de verschillende gestelde kenteekenen na.

Vooreerst de census. Hier mag herinnerd worden aan hetgeen in de Historische Inleiding reeds in den breede ter sprake kwam: hoe de samenkoppeling van census en kiesrecht ten gevolge heeft, dat de belastingwetgever op uitbreiding en inkrimping van het kiezerscorps een overwegenden invloed kan uitoefenen, en om redenen van fiscalen aard, geheel buiten het kiesrecht gelegen — men denke b.v. aan verandering der grondslagen van het personeel — de kiezersschare met duizenden kan vermeerderd of verminderd worden; en verder, hoe allerminst het feit der belastingbetaling op zich zelf waarborg voor richtige uitoefening van het kiesrecht verschaft, zoomin als het tegendeel volgt uit de omstandigheid, dat men in geene der belastingen is aangeslagen. Dit laatste bezwaar weegt te zwaarder, wanneer wij bedenken, dat onder onze tegenwoordige kieswet het aantal belastingkiezers zóó overwegend groot is, vergeleken bij dat der andere categorieën, dat ons kiesstelsel, toegepast in de praktijk, tot het zuivere census-

Sluiten