Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat men zeker bedrag op het grootboek heeft ingeschreven of bij eene spaarbank zekere som ingelegd heeft, maakt het veelal aannemelijk, dat men over gelden beschikt, die men niet behoeft te besteden tot bestrijding der dagelijksche levensbehoeften. Ten aanzien van eene juiste uitoefening van het kiesrecht bewijzen die inschrijving en inleg evenwel niets. De man, die spaart, kan daarom niet geacht worden een beter kiezer te zijn dan zijn buurman, die, om welke redenen dan ook, niet sparen kan of niet sparen wil.

Bovendien geeft de hier besproken bepaling aanleiding tot ernstig misbruik. Immers, daar geen tijd bepaald is, hoelang de inleg bij eene spaarbank behoeft geduurd te hebben, is er allerlei gelegenheid om, door tijdelijk iemand aan zoodanigen inleg te helpen, kiezersteelt in het leven te roepen. En daarvan zijn de voorbeelden ook reeds aan te wijzen.

Dat voorts, in het systeem van den wetgever, eene onbillijkheid wordt begaan jegens allen, die aan eene andere wijze van belegging hunner spaarpenningen de voorkeur geven boven de twee genoemde spaarvormen, kan al evenmin strekken, om de uitwerking die de hier besproken grondslag voor kiesrecht in de kieswet heeft gevonden, eene gelukkige te noemen.

Wat ten slotte betreft het kenteeken der capaciteit, gebleken door een examen, zoo mag alweder gevraagd worden, of er onder degenen die nimmer in hun leven een examen aflegden, niet velen zijn, die langs anderen weg dan door examenstudie de kennis en de bekwaamheid verworven hebbende, benoodigd om nuttig werkzaam te zijn in de maatschappij, evenveel aanspraak op kiesrecht kunnen maken als de personen, die dat recht krachtens het hierbedoeld kenteeken deelachtig worden.

Eene der groote fouten van ons tegenwoordig kiesrecht bestaat hierin, dat de grenslijn tusschen kiezers en niet-kiezers

Sluiten