Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regeeringen tot wet geworden, getuigen er bovendien van, dat de verschillende politieke groepen, die beurtelings in de meerderheid waren, tevens de kracht hadden om dien wil in daden om te zetten. Maar toch vindt, wat in die richting wordt gedaan, slechts weinig waardeering bij de belanghebbenden zeiven. De reden hiervan moet voor een deel gezocht worden in de omstandigheid, dat zij, te wier behoeve de bedoelde maatregelen werden genomen, moeilijk tot het besef te brengen zijn, dat deze niet veel beter en meer afdoende zouden zijn uitgevallen, indien zij zeiven daarop invloed hadden kunnen uitoefenen door mannen, die hun volle vertrouwen genoten en die zij zeiven hadden gekozen. De best bedoelde wet blijft in hun oogen eene concessie, gedaan door anderen, die als vreemden, vaak als tegenpartij, tegen hen overstaan. — Dat in deze beoordeeling veel onbillijks is gelegen, is onbetwistbaar. Men bedenke echter, dat de stemming van het oogenblik slechts het uitvloeisel is van de tijden die achter ons liggen. En wie zal ontkennen, dat althans in het tijdperk tusschen de Grondwetsherziening van 1848 en die van 1887 verzuimd is, aan de sociale behoeften van het volk achter de kiezers de noodige aandacht te schenken?

Om nu echter te bevorderen, dat de Wet de zedelijke kracht, zonder welke zij op den duur niet heilzaam kan werken, in de oogen van de geheele natie herkrijge; om te maken, dat in het voorschrift der Grondwet: «de StatenGeneraal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk'', wederom iets meer dan eene wettelijke fictie zal worden gezien, is het onvermijdelijk noodig, dat het recht om tot de samenstelling der Staten-Generaal mede te werken algemeen worde toegekend. Zoolang honderdduizenden Staatsburgers van alle medezeggenschap in 's Lands zaken worden buiten gesloten, kan in dit opzicht niet op verbetering van toestanden worden gehoopt.

In de tweede plaats verklaren wij voorstanders van algemeen kiesrecht te zijn, omdat wij gelooven in de opvoedende

Sluiten