Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is het nog steeds het organiek decreet van 2 Februari 1852, dat in hoofdzaak de materie van het actief kiesrecht voor de Kamer van Afgevaardigden regelt.

Volgens dat decreet zijn alle Franschen, die den 21-jarigen leeftijd vervuld hebben en in het genot van burgerlijke en burgerschapsrechten zijn, kiezers.

De uitsluitingen van het kiesrecht zijn ten deele van tijdelijken aard, ten deele voor het leven.

Tijdelijk van het kiesrecht uitgesloten zijn:

1°. degenen aan wie het kiesrecht is ontzegd ten gevolge van toepassing door den strafrechter van eene der wetsbepalingen, waarin uitdrukkelijk verlies van het kiesrecht voor zekeren tijd is voorgeschreven. Als voorbeelden mogen hier genoemd worden: vooreerst art. 16 van het genoemd decreet van 1852, krachtens hetwelk voor hen, die wegens zekere delicten — o.a. beleediging, verzet of geweld, gepleegd tegen openbare ambtenaren — tot meer dan eene maand gevangenisstraf veroordeeld zijn, het kiesrecht verloren gaat voor den tijd van 5 jaren, aanvangende na den afloop der straf; en verder art. 3 der wet van 23 Januari 1873, krachtens hetwelk iemand, die tweemalen wegens openbare dronkenschap is veroordeeld, bij het tweede vonnis van het kiesrecht wordt ontzet voor den tijd van twee jaren, te rekenen van den dag, dat het vonnis onherroepelijk is geworden;

2°. de gefailleerden tot aan hunne rehabilitatie;

3°. de onder curateele gestelden, tot aan de opheffing der curateele bij rechterlijk vonnis;

4°. notarissen, griffiers en openbare ambtenaren, die van hun ambt ontzet zijn, wanneer bij die ontzetting tevens uitdrukkelijk ontzetting van het kiesrecht is uitgesproken, zulks totdat zij mochten worden gerehabiliteerd.

Uitsluiting van het kiesrecht voor het leven geschiedt ten opzichte van de volgende categorieën van personen:

1°. degenen, die van hunne burger- en burgerschaps-

Sluiten