Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

provincie of gemeentewege moet naar onze meening de bedeeling plaats vinden om ontzetting der kiesbevoegdheid tengevolge te hebben; anders kan zij niet tot verlies van kiesrecht aanleiding geven.

Dit standpunt, hetwelk wij ten aanzien van het vraagstuk der bedeelden zouden willen aannemen, is door de wetgevingen van het Duitsche Rijk en van Denemarken aangenomen. De gedachte ligt er aan ten grondslag, dat, in een stelsel van algemeen kiesrecht, hetwelk breekt met elk vereischte ten aanzien van den welstand, het enkele feit, dat men in den strijd om het bestaan door anderen wordt geholpen, op zich zelf niet tot uitsluiting van het kiesrecht leiden mag. Maar waar het de overheid is, die den onderstand verleent, met andere woorden, waar de Staat of een zijner onderdeelen de leden der maatschappij die niet krachtig genoeg zijn, zeiven hunne plaats in de samenleving te handhaven, de behulpzame hand moet toesteken en moet geven om van te leven, daar ontstaat voor de beweldadigden een toestand van afhankelijkheid tegenover het gemeenebest, die hun de zelfstandigheid en de onbevangenheid doet missen, om op richtige en nuttige wijze tot de samenstelling der Staatsorganen mede te werken. Zij, die materieel geheel afhankelijk van de overheid zijn, moeten op 's Lands zaken geen invloed kunnen uitoefenen.

Wij zeiden reeds, dat andere bedeeling dan die, welke van overheidswege geschiedt, naar ons oordeel in het stelsel van algemeen kiesrecht niet tot onthouding van kiesbevoegdheid leiden kan. Naast den principieelen grond, dien wij meedeelden, kan voor onze meening nog deze andere worden aangevoerd: dat alle bedeeling, welke niet geschiedt door »staats-, provinciale- of gemeenteinstellingen, door de burgerlijke overheid geregeld en van harentwege bestuurd", hetzij zij plaats vindt door instellingen van godsdienstigen of bijzonderen aard, hetzij zij haar ontstaan dankt aan particuliere liefdadigheid, éénzelfde niet-offlcieel karakter

Sluiten