Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenschappen en wegens de plaats, die zij in de maatschappij bekleeden, het kiesrecht veel meer zou toekomen dan aan vele mannen. Maar al geeft men een en ander toe, dan is daarmede de zaak nog niet beslist.

Toekenning van de kiesbevoegdheid aan alle vrouwen zouden wij vooralsnog geenszins wenschelijk achten. Vooreerst zouden wij die bevoegdheid willen onthouden aan de gehuwde vrouwen. Waar de man in het openbaar leven optreedt, kan hij geacht worden tevens het gezin te vertegenwoordigen. Al zijn er uitzonderingen, dit mag toch als regel worden aangenomen. Gaf men aan de gehuwde vrouw de kiesbevoegdheid, dan zoude dat zeer licht leiden tot één van tweeën: öf dat het kiesrecht door haar werd uitgeoefend op de wijze, zooals haar echtgenoot dat wenschte, zoodat van eene zelfstandige, bewuste uitoefening van het recht door de vrouw geen sprake zou zijn, of dat de politiek een gevaar werd voor de éénheid van het gezin.

Intusschen, naar ons oordeel kan thans aan alle ongehuwde vrouwen de kiesbevoegdheid evenmin nog worden gegeven. Men houde toch in het oog, dat het hier de invoering van een geheel nieuw instituut in onze Staatsinstellingen betreft, omtrent welks werking men wellicht geneigd is, goede verwachtingen te koesteren, maar met zekerheid niets kan voorspellen. Wij zijn ten aanzien van het vrouwenkiesrecht zeker nog niet zoover gevorderd als het standpunt, waarop men in 1848 stond tegenover de rechtstreeksche verkiezingen. Ware het toenmaals met wijs beleid niet overeen te brengen geweest, reeds aanstonds de kiesbevoegdheid in de grootst mogelijke uitgebreidheid te verleenen, veel min zoude zoodanige handelwijze thans ten aanzien van het vrouwenkiesrecht raadzaam zijn te achten.

De geschiedenis van elk kiesrecht leert, dat, alvorens uitgebreide toekenning der kiesbevoegdheid kan plaats vinden, eerst een geleidelijke ontwikkelingsgang moet zijn door-

Sluiten