Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschikte kiezers zouden te vinden zijn, zal wel niemand willen beweren. Invoering van een stelsel van capaciteiten schijnt evenmin uitvoerbaar; nog slechts weinig vrouwen nemen aan eenig van overheidswege uitgeschreven examen deel en buiten haar zijn er vele, aan wie, indien men eenmaal het kiesrecht voor de vrouw in de wet wilde opnemen, dit niet zou mogen worden ontzegd. — Hoe wij de zaak ook hebben overwogen, een theoretisch verdedigbare en tegelijk praktisch bruikbare. regeling hebben wij niet kunnen vinden. Deze zal eerst mogelijk zijn, als de wijziging in de geestesrichting der vrouw, waarvan de verschijnselen aanwijsbaar zijn, tot veel breedere kringen zal zijn doorgedrongen.

Ons standpunt tegenover het vraagstuk in zijn geheel is daarom het volgende: De Grondwet late den wetgever vrij; het woord »mannelijke" verdwijne uit art. 80. Indien de feministische beweging, om kortheidshalve dezen term te gebruiken, blijft voortgaan en op den duur voor de samenleving in haar geheel een kracht ten goede blijkt, is hare laatste consequentie, dat de vrouw ook voor het publieke leven de gelijke wordt van den man. De Grondwet mag aan de normale ontwikkeling van eene, onzen tijd zoozeer kenmerkende strooming als deze, niet in den weg staan.

Maar voorshands ga men niet verder. De kieswet blijve zich voorloopig bepalen tot het algemeen kiesrecht voor mannen alléén. Het zou, naar onze meening van weinig staatsmanszin getuigen en stellig weinig instemming vinden bij de meerderheid van ons volk, indien men thans reeds het kiesrecht voor de Staten-Generaal aan de vrouw mocht willen toekennen. Pogingen om, uit theoretische voorliefde voor eenig abstract stelsel, politieke vraagstukken tot eene ontijdige oplossing te willen brengen, schaden in den regel de belangen, die men voorstaat. Wij zijn vast overtuigd, dat, daargelaten wat in dit opzicht de toekomst zal brengen, de tijd voor het verleenen van kiesbevoegdheid voor de

Sluiten