Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijziging der Grondwet in dien zin tot stand te brengen. Dat is de hoofdzaak. Laat eenmaal de Grondwet den kieswetgever in de regeling der kiesbevoegdheid geheel vrij, dan — wij twijfelen niet — zullen de beginselen van het algemeen kiesrecht als de éénig aannemelijke en bevredigende, in onze wetgeving worden nedergelegd. De geleidelijke weg komt ons ten deze de verkieslijkste voor; hij zal het zekerst tot het gewenschte doel leiden. Spiegelen wij ons aan Frankrijk, waar het beginsel van het algemeen kiesrecht reeds sedert 1852 van kracht is, maar waar dat beginsel eerst in 1875 in de constitutioneele wetgeving werd opgenomen.

Te minder bezwaar kan er o. i. tegen bestaan om het geheele actieve kiesrecht voor de Tweede Kamer aan den gewonen wetgever over te laten, omdat een stelsel waarin de Grondwetgever zelf de materie tot zich trekt, er als het ware toe moet leiden, dat hij het terrein van den kieswetgever betreedt. In een systeem toch, krachtens hetwelk de Grondwet aanwijst, aan wie het actief kiesrecht toekomt, behooren — uit technisch oogpunt — ook de uitsluitingen in de Grondwet te worden opgenomen, gelijk in het tegenwoordig art. 80 is geschied. De regeling der uitsluitingen nu is naar onze meening meer eigenaardig in de kieswet, dan in de Grondwet op hare plaats, daargelaten nog de wenschelijkheid, om in dit opzicht den wetgever de volkomen vrijheid te laten. Voor zooveel wij weten, is dan ook in geene der vreemde constituties de regeling der uitsluitingen opgenomen. Wel ware denkbaar, in de Grondwet enkele beginselen omtrent de redenen van uitsluiting te vermelden. Maar deze zouden uit den aard der zaak uiterst vaag geformuleerd moeten zijn, en daardoor allicht bij de behandeling van het kiesrechtontwerp leiden tot een strijd over de grondwettigheid van voorgedragen bepalingen, die men — gedachtig aan hetgeen bij de kieswet-Tak is voorgevallen — beter doet te vermijden.

Sluiten