Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gemeenten en van de gemeenten tegen den Vorst," vond dit voorstel, dat zoo weinig strookte met onze vroegere Staatsinstellingen, vooral bij van Hogendorp, krachtige bestrijding. Van eene zóó groote bevoorrechting van den stand der edelen, dat deze eene zelfstandige Kamer zoude vormen, was men in het algemeen van Nederlandsche zijde afkeerig; bovendien achtte men een adel, krachtig en rijk genoeg om eene erfelijke pairskamer te vormen, in deze landen niet aanwezig.

Het twistpunt werd commissoriaal gemaakt en op voorstel der ter zake benoemde commissie ten slotte aangenomen, dat de Staten-Generaal zouden bestaan uit twee Kamers, en dat de Eerste Kamer zoude zijn samengesteld uit niet minder dan veertig en niet meer dan zestig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, die door den Koning voor hun leven werden benoemd en gekozen uit hen die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid, onder de aanzienlijksten van den lande behoorden.

Deze denkbeelden, welke in artikel 80 der Grondwet van 1815 teruggevonden worden, vonden in het tot den Koning gerichte rapport van 13 Juli 1815 de volgende toelichting:

„Ten einde alle overijling in de raadplegingen te voorkomen, in moeijelijke tijden aan de driften heilzame palen te stellen, den troon te omringen door een bolwerk waartegen alle partijen afstuiten, aan de natie eene volkomen zekerheid te waarborgen tegen alle willekeurige uitbreiding van gezag, oordeelen wij het nuttig, op het voorbeeld van magtige, rijke en bloeiende gemeenebesten, de vertegenwoordiging des volks in twee Kamers af te deelen; wjj hebben te dezen aanzien echter geene vreemde instellingen nagevolgd, welke met onze zeden niet waren overeen te brengen; wij hebben de gronden en wijziging dezer instelling gezocht in het wezenlijk doel van dezelve." En verder: „Voorzigtigheid en wijsheid zijn de groote vereischten in hare leden. De ontworpen Grondwet vordert een ouderdom

Sluiten