Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Kevolutie lang voorbij, en leeft, hetgeen den mannen van 1815 nog levendig als waarschuwend voorbeeld voor oogen stond, bij het nageslacht slechts voort als verre geschiedkundige herinnering. Maar de nagedachtenis der invloedrijke mannen uit dien veelbewogen tijd doet er ons op bedacht zijn, dat in elke politieke vergadering er weinigen zijn, die leiden, velen, die volgen; zij herinnert ons tevens aan de waarheid van het woord van Montesquieu: „c'est une expérience éternelle, que tout homme, qui a du pouvoir, est porté a en abuser."

Welnu dan: te waken tegen alle buitensporigheden, zoo van de zijde der Regeering als van die der andere Kamer; te voorkomen, dat onder eene valsche leuze of onder den waan van den dag maatregelen tot stand komen, welke niet het duurzame goed der natie kunnen worden; kortom, een regelmatigen ontwikkelingsgang der wetgeving te bevorderen en er voor te zorgen, dat het evenwicht der verschillende belangen in den Staat niet verbroken worde, ziedaar in hoofdzaak de werkzaamheid der Eerste Kamer.

„De eigenlijke bestemming der Eerste Kamer," dus betoogt Thorbecke, „is om een tweede aanleg of instantie der wetgeving te zijn, om het besluit der andere Kamer op den toets van een nieuw, bezadigd, rijper en reeds voorgelicht onderzoek te brengen. Voor regtsgedingen is wel een tweede, ja derde regterlijk onderzoek noodig gekeurd. Waarom niet bij de nog veel gewichtiger aangelegenheden der Wetgeving?"

Het is duidelijk, dat de werkkring der Eerste Kamer een geheel andere moet zijn dan die van hare zusterkamer. Het gedeelte harer werkzaamheid dat de algemeene aandacht trekt, bestaat in den regel in tegenhouden, omverwerpen, wat door anderen werd opgebouwd; voor een staatslichaam eene ondankbare taak, daar zij lichtelijk wrevel opwekt en aanleiding geeft tot onwelwillende critiek. Wat minder scherp aan het daglicht treedt, dat is het aandeel, hetwelk de Eerste Kamer in de tot stand

Sluiten