Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kennen geeft, dat de Grondwet van 1848, eenmaal de trapsgewijze verkiezingen voor de Eerste Kamer aannemende en de Provinciale Staten als kiescolleges aanwijzende, niet had mogen nalaten, de ontbindbaarheid der Staten uit te spreken.

„Nadat echter aangenomen was" — zoo lezen wij in deel I op bladzijde 83 — „dat dezen — de leden der Eerste Kamer — niet rechtstreeks door de kiezers, maar door de Provinciale Staten zouden worden verkozen, had men behooren te bepalen, dat de Koning wanneer hij een beroep op de kiezers noodig oordeelt, ook de Provinciale Staten kan ontbinden. Het was toch te voorzien, althans de ondervinding heeft het geleerd, dat de eigenschap van kiezers van leden der Eerste Kamer te zijn een voorname factor zou zijn bij de verkiezing van leden der Provinciale Staten."

Wat cr ten slotte nog voor pleit om, ten opzichte van de verkiezing der Eerste Kamer, de historische lijn te volgen en de Provinciale Staten als kiescolleges te behouden, is de omstandigheid, dat elke indeeling des lands in nieuwe kiesdistricten voor de Eerste Kamerverkiezingen er door wordt vermeden. Waar eensdeels het behoud der pi ovinciegewijze verkiezing dier Kamer aanbeveling verdient, omdat zoodoende de beide Kamers der Staten-Generaal door verschillende groepen van kiezers worden verkozen — dit zal ook zoo blijven bij invoering der Evenredige Vertegenwoordiging —, anderdeels onze elf provinciën door historie en traditie als het ware zijn aangewezen om voor eene van de Kamers der Staten-Generaal afzonderlijke kiesdistricten te vormen, daar is op dit punt behoud van het bestaande boven elke nieuwe regeling te verkiezen.

Het stelsel, dat wij, bij onze tegenwoordige staatsinstellingen, het meest aanbevelenswaard achten, komt in het kort hierop neer: behoud der Eerste Kamer provincie-

11

Sluiten