Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zóó ernstige kennen, dat de vervanging ervan door een beter stelsel als een eisch van gebiedende noodzakelijkheid voorkomt.

Vooreerst zij — ofschoon dit met het hier behandeld onderwerp slechts in een meer verwijderd verband staat — gewezen op de groote rechtsongelijkheid, welke zeer licht tusschen de kiezers in de verschillende districten heerschen kan. Ontleenen wij enkele voorbeelden aan de laatste verkiezingen voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Gelijk boven reeds werd vermeld, is het Rijk voor de verkiezing van de leden der Tweede Kamer gesplitst in enkelvoudige districten. De splitsing dateert van 1887, en werd toenmaals in dier voege tot stand gebracht, dat de bevolking in de verschillende districten ongeveer in aantal overeenkwam. Alleen de vier grootste gemeenten des lands, Amsterdam, Rotterdam, 's Gravenhage en Utrecht, bleven meervoudige districten uitmaken tot 1897, toen ook deze gemeenten in enkelvoudige districten gesplitst werden.

Nu treft het bij eene beschouwing der kiezerslijsten, dat zelfs in districten, welker bevolking vrij wel met elkander overeenkomt, het getal kiezers zeer uiteenloopt. Om enkele grepen te doen uit de kiezerslijsten van 1901: terwijl de districten Amsterdam II en VIII resp. 2475 en 2987 kiezers telden, bedroeg het aantal kiezers in district Amsterdam IX 7935; tegen 10633 kiezers in het district Enschede was in het district Leiden het aantal niet grooter dan 4741. Om onder alle omstandigheden zeker van de overwinning te zijn, moest dus in de verschillende genoemde districten door eene kiezersgroep een aantal van resp. 1238, 1494, 3963, 5317 en 2371 stemmen — de absolute meerderheid — worden uitgebracht.

Waren derhalve in district Amsterdam II 1239 kiezers voldoende om hunnen candidaat gekozen te zien, in district Amsterdam IX was een ruim driemaal zoo groot aantal, 3963, noodig om de keuze in handen te hebben. Terwijl in de drie districten, Amsterdam II en VIII en Leiden

Sluiten