Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B twee zetels verwerven, tegen hare sterkere tegenstandster slechts ééne, wanneer zij alle hare 1000 stemmen op 2 candidaten had uitgebracht die ieder dus 500 stemmen op zich vereenigden, terwijl party A hare 1400 stemmen ongeveer gelijkelijk over drie candidaten had verdeeld, in dier voege dat ieder hunner resp. 460, 490 en 450 stemmen verwierf.

Nog moge hier eene principieele onvolmaaktheid van het stelsel der begrensde stemming vermelding vinden, waarop indertijd door den Groningschen hoogleeraar Reiger de aandacht is gevestigd. ') Zij is deze, dat bij eene verkiezing van drie afgevaardigden, de minderheid, wanneer zij slechts V3 van het gansche kiezerscorps uitmaakt, bij gelijk volmaakte partijorganisatie niet op eene zelfstandige vertegenwoordiging rekenen kan en er dus onder die omstandigheden nooit eene evenredige vertegenwoordiging te verkrijgen is.

Gesteld, in het bovenbehandelde geval bedroeg het aantal kiezers van partij B slechts 400, tegen dat van partij A 800, zoodat de aanhang van partij B '/3 van het gansche kiezerscorps uitmaakte, dan zoude die partij, twee candidaten gesteld hebbende, op ieder hunner 400 stemmen kunnen vereenigen. Partij A kan met 1600 stemmen elk harer candidaten een stemmenaantal verschaffen, grooter dan 400, zoodat zy alle hare candidaten gekozen ziet en partij B niet voor vertegenwoordiging in aamerking komt.

Bedroeg het aantal leden van partij A 720, en dat van partij B 480, zoodat de laatstgenoemde partij 2/n van het gansche kiezerscorps uitmaakte, dan zou partij B op twee candidaten 480 stemmen kunnen uitbrengen, tegen partij A op drie candidaten een evengroot aantal. Zoo moet dus onder gelijk volmaakte partijorganisatie bij eene verkiezing van 3 vertegenwoordigers, de minderheid meer dan 2/s van het geheele kiezerskorps uitmaken, om zich van eene vertegenwoordiging verzekerd te weten.

') „Nieuwe kiesstelsels," in de Gids 186(3, Deel IV, blz. 202.

Sluiten