Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

organiseerden, dus 44°/o. Van de 61 vakbonden geven 48 uitkeering bij werkloosheid. Wel een bewijs, dat hier de arbeiders er wat voor over hadden om zich zelf te helpen. Daar echter de uitkeeringen betrekkelijk laag waren, moest en mocht dan ook subsidie van overheidswege wel volgen. Juist omdat de vakbeweging daar zoo n gecentraliseerd karakter heeft, ontstond vanzelf de behoefte, om ook de steun van een centraal lichaam, dus van de regeering te doen uitgaan. De buitengewoon groote werkloosheid van 1900 was daartoe de aanleiding. De sociaal-democratische fractie in het Parlement komt de eer van het initiatief toe. Zij stelde in de winterzitting van 1901—'02 vóór een som van 500.000 kronen uit te trekken ten behoeve der werkloozenkassen der vakvereenigingen. Wel werd dit voorstel verworpen, maar de zaak was aan de orde en bleef aan de orde. Zoodanig, dat in 1906 door den Minister van Hinnenlandsche Zaken een ontwerp van wet werd ingediend, welke op 9 April 1907 werd aangenomen. Zij bestaat uit 23 artikelen en komt hierop neer, dat een staatssubsidie werd toegestaan ter bestrijding van werkloosheid en wel tot een maximum bedrag van ongeveer f 170.000 per jaar. Dit subsidie komt ten goede aan erkende vereenigingen ter bestrijding van dit maatschappelijk euvel en wel tot een bedrag van Va der premies door de leden ervan gestort. Het geheele subsidie wordt onder de verschillende fondsen verdeeld in verhouding van het totaal der ingekomen premies.

Om een aandeel in het subsidie te krijgen, moet het fonds minstens 5° leden tellen tusschen 18 en 60 jaar, terwijl combinaties van verschillende vakvereenigingen zijn toegelaten.

De tegemoetkomingen uit de fondsen mogen bestaan uit: reiskosten, huishuur of dagelijksche uitkeering in geld of

255

Sluiten