Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Regeering voor, de zaak opnieuw ter overweging aan eene Commissie op te dragen en in September 1905 diende deze Commissie een voorstel bij het Parlement in, waarbij staatssubsidie in overweging werd gegeven. 12 Juni 1906 werd reeds een wet afgekondigd, welke 1 Oct. d.a.v. werd ingevoerd en hierop neerkomt.

Het rijk verbindt zich aan bestaande of op te richten werkloosheidfondsen een vierde deel terug te betalen der bedragen door deze fondsen voor werkloozenonderstand besteed op voorwaarde, dat de fondsen en hun statuten aan zekere eischen voldoen. De leden moeten door premiebetaling ten minste de helft der inkomsten van het fonds zelf opbrengen, en alvorens uitkeering te erlangen, ten minste gedurende 26 weken premie hebben betaald. De uitkeering mag niet hooger zijn dan een gemiddeld dagloon ter plaatse van het fonds bedraagt, en aan eenzelfden verzekerde in één kalenderjaar niet meer dan 90 dagen worden uitbetaald.

De werklooze, die uitkeering verlangt, moet kunnen aantoonen dat hij, indien ter plaatse zoodanige instelling gevestigd is, zich bij de arbeidsbeurs om werk heeft aangemeld. Voorts is hij verplicht, den arbeid, dien het bestuur van het fonds passend voor hem acht, te aanvaarden.

De uitkeering wordt slechts bij werkloosheid buiten eigen schuld betaald, onder welk begrip werkstakingen en uitsluitingen niet vallen.

Vakvereenigingen die een werkloosheidsfonds oprichten, moeten de administratie daarvan van die der vereeniging gescheiden houden. De gelden van het fonds mogen nimmer voor andere doeleinden gebruikt worden dan voor werkloosheidsverzekering, doch zijn dan ook gevrijwaard voor beslag door schuldeischers der vereeniging of der verzekerden.

Een vakvereeniging die een werkloosheidsfonds vestigt,

257

Sluiten