Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermeld. Van Heussen deelt mede, dat hij de kroniek afdrukte naar een „MS. hactenus abscondita, benigno Clanssimi Viri Domini N. C. J. C. studio Groninga nobiscum communicata" i). J. C. zal natuurlijk tot juriseonsultus moeten worden aangevuld; maar wie is N. C? Mr. ieith maakte er mij op opmerkzaam, dat, zoo men een drukfout mag aannemen, wat bij Van Heussen geoorloofd is, mogelijk bedoeld is Maurits Clant Dan zou deze familie dus twee handschriften van de kroniek hebben bezeten, want dat Van Heussen HS. AG I heeft gezien, is onmogelijk; immers dit loopt slechts tot 1522 en Van Heussen's tekst tot lo78. Maar afgezien daarvan, is zijn handschrift een der boven beschrevene? Blijkens den volledigen tekst an het AG I, B, H of L niet zijn. Blijven dus de vier andere. Toen ik mijn catalogus der Groningsche handschriften bewerkte, was ik van meening, dat van Heussen BG 1 had gebruikt 2). Na nauwkeurig onderzoek ben ik daarvan teruggekomen. Wel hebben beide teksten natuurlijk groote overeenkomst, wel kunnen verder tal van verschilpunten door onjuist en onnauwkeurig lezen en afdrukken van Van Heussen worden verklaard, maar er blijven toch nog eigenaardigheden over, die bewijzen, dat de geleerde vicaris een ander handschrift voor oogen moet hebben gehad. Zoo ontbreekt b.v. in BG I de titel; Vitae ac gesta abbatum qui Coenobio Adoardio praefuerunt, die Van Heussen heeft. Zoo heeft het handschrift boven het leven van den eersten abt Wibrandus het opschrift: Vitae et nomina Abbatum, dat weer bij Van Heussen wordt gemist. Zoo is er meer. Hetzelfde kan van P. E. worden gezegd. Eerder zou ik aan AG II willen denken, zoo daartegen niet dit bezwaar bestond, dat

1) Ilistoria seu notitia episcopatus Groningensis, 32.

2) Mijn Catalogus, blz. 59.

Sluiten