Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk de minder gunstige oordeelvellingen over eenige abten te boek gesteld, alle evenwel, opmerkelijk genoeg, uit de 15de eeuw. Daarnaast moet de kroniekschrijver echter ook uit het archief en de bibliotheek van het klooster hebben geput, hoewel uit het eerste betrekkelijk weinig: mogelijk heeft de abt hem slechts laten zien, wat hij oorbaar vond. Immers hoewel waarschijnlijk verreweg de meeste charters van het klooster door den brand van 1580 zjjn verloren gegaan, onder de weinige resten, die wij nog over hebben,' zjjn er al, die de kroniek blijkt niet te hebben gekend.'

Tweemalen haalt zij namelijk oude stukken aan. In het leven van den tweeden abt Albertus merkt de schrijver op, dat de abdij onder hem geleerde mannen telde, die geheel Friesland door hun wetenschap verlichtten, „ut patet in antiquioribus hujus loei scriptis et libris". Dat hiermede bijna zeker geen ooikonden zijn bedoeld, ligt voor de hand: dergelijke bijzonderheden worden in den regel niet door zegel en brief geboekstaafd. Maar natuurlijk heeft de kroniek een charter op het oog, waar zij in het leven van abt Iloptatus (1350—1352) vermeldt, dat de Aduarder schippers vrijdom van tol te Stade verkregen „quemadmodum literae Stadensium quae apud nos sunt optime testantur Inderdaad is daarover een charter bewaard, maar van 12 September 1342 '), zoodat de kroniek zich een tiental jaren vergist. Zeer zeker heeft ze nog andere charters gebruikt: ik zal dat bij den tekst zooveel mogelijk aangeven. Dat de kroniekschrijver de bibliotheek van het klooster 2) tot zijn

1) Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, no. 372.

2) Alles wat over de helaas! verbrande boekerij van Adnard was te vinden, heb ik verzameld in Historische Avonden, uitgegeven door het Historisch Genootschap te Groningen, blz. 210 vlg."Sedert heb ik geen uit Aduard afkomstig boek aangetroffen.

Sluiten