Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

supra sexaginta jugera seu mensuras '), idque non nisi in sexennium colendas ct usurpandas, traderet. Quo factum est, ut sexto quoque anno eosdern agros a nostris 2) jam porro redimere sunt 3) coacti: unde quantuni emoluincnti nostro monasterio accreverit in annos singulos, vir prudens levi negotio perspexerit *). Sub finem vitae in Tribus Montibus 5) duo aedificia

1) II heeft meiisiones.

2) A nostris ontbreekt in HG I.

3) AG II heeft wel juister: fuerint coacti.

4) Geen enkel officieel document in het Groningsche archief bevestigt de waarheid van het hier te boek gestelde, maar het feit zelf schijnt onbetwistbaar. Het ligt voor de hand, dat dit bericht reeds herhaaldelijk in verband is gebracht met het beklemcontract en zelfs aanleiding heeft gegeven tot de veronderstelling, dat het recht van beklemming bepaaldelijk uit het beheer der kloostergoederen zou zijn ontstaan, een onderstelling, waarvan Feith op afdoende gronden de onhoudbaarheid aantoonde. Wat de uitlegging van het vonnis betreft, inr. S. Gratama schrijft daarover (Het Beklemrecht in zijne geschiedkundige ontwikkeling, blz. 107 vlg.): „(Het) springt in het oog, dat kennelijk de gebruikers der landen zich slechts verplicht achtten tot het betalen van den door hen verschuldigden huurprijs, maar niet tot het vragen van toestemming voor beschikkingen over hun recht en wat daarmede in verband stond, en tevens, dat zij allerminst gebonden waren, wat den duur der rechtsbetrekking betreft, aan den wil van den eigenaar. Op dit punt heeft het vonnis met zooveel woorden hen tot de orde teruggeroepen, in dien zin, dat de termijn uitdrukkelijk op zes jaren werd bepaald en daarmede de vernieuwing van de verhouding tot den eigenaar, van den grondslag van hun recht tegen een bepaalde retributie verplichtend werd gesteld. Aan een willekeurige weigering daarvan door den eigenaar schijnt niet te zijn gedacht, althans er wordt niet over gesproken. Toch was door deze uitspraak de zelfstandigheid der meiers vrij wat ingekrompen, hun recht van den eigenaar weder tamelijk wel afhankelijk gemaakt. Dit was echter niet de hoofdzaak uit het oogpunt der kloosteroverheden, maar het meerdere geldelijke voordeel. Geen wonder, dat bij die beschouwing, zoolang slechts het verschuldigde iedere zes jaar werd betaald, de voortduring der rechtsbetrekking gewoonte en langzamerhand gewoonterecht werd."

5) Het nonnenklooster Trimunt in het Westerkwartier was onder abt Eylardus onder Aduard's hoede gekomen. (Vgl. boven onder genoemden abt.)

Sluiten