Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijlage vi.

Uittreksel üit de kroniek van Sicke Benninghe.

Van Hendrick Gaickinga ende Frederick gebroederen, de doodtgeslagen worden in Aduwardt.

In den jaere Ons Ileeren duisent vijffhondert en tvvintich soo weeren daer twee gebroederen, (d)en eene geheeten Ilindrick Gaickinga, die ander Fredrick Gaickinga, gebooren van Gaickingahuys; en weeren van oldes van ridderlijcken geslachte, en mede van den oppersten hovelingen tusschen Eemse en Lauwersche; de hadden seeckere summige heerlickheeden en privilegien in 't Clooster van Adewart van oldes, dat em nu seer weinich geholden wort; en die' piivilegien, vrjjheeden en heerlickheeden queemen heer van eenen Abt, die gebooren was van Gaickingahuys, geheeten lieer Frederick Gaickinga, booven anderhalf! hondert jaeren verleeden do lede sich weder tegen sijne waerlijcken gebroederen met oorloch en veide, en was den Gaickinga-volck overlegen mit macht en goedt, soodat he sijne gebroederen en vrinden mit macht afdranck en creegh een groot

1) Benninghe taxeert hier vrij juist. Zooals wij zagen, was Fiedenk abt van 1329 tot 1350.

Sluiten