Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feit te dienen," en dat bovendien de door de wet verlangde «mogelijkheid van nadeel" in casu ontbrak, omdat niet was gebleken, dat de waardevermelding in de factuur zoozeer afweek van wat als loopende prijs had kunnen zijn gedeclareerd, dat de schatkist daarvan nadeel had kunnen ondervinden. Op laatstbedoelden grond volgde vrijspraak. Het beroep in cassatie van den procureurgeneraal stuitte op deze feitelijke beslissing af en werd niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest van den Bosch heeft natuurlijk vooral de aandacht getrokken van hen, die met de gevangenisstraf van de Amsterdamsche rechtscolleges waren bezwaard. En daar is een heele literatuur over ontstaan.

Dergelijke ongelijkheid in de rechtspraak, — bij de beoordeeling waarvan echter de feitelijke omstandigheden van elk geval ook mee in rekening moeten worden gebracht — kan meer voorkomen. Doch het is inderdaad zeer te bejammeren, dat de Hooge Raad althans over de eene zijde der quaestie, een zuiver juridische vraag, of valsche waarde-opgave in een facatuur met het oogmerk die aan de administratie over te leggen, al dan niet is valse beid in een geschrift, datbestemdis om tot bewijs van eenig feit te dienen, geen beslissing heeft gegeven; en dat de andere zijde der vraag, de m o g e 1 ij k h e i d van b e n a d e e 1 i n g van d en f i sc u s, omdat deze zoo licht een casueel f e i t e 1 ij k karakter aanneemt, — al heeft zij ook meer algemeene strekking en al steekt daarin menig juridisch element, — aan de rechtspraak van den Hoogen Raad, die bestemd is om eenheid van Rechtspraak te waarborgen, is onttrokken.

Het is hier niet do plaats om deze technisch-juridische quaesties, waarover zoo verschillend gedacht is, uit te werken. Wat ons echter hier wel interesseert, is de vraag, of de wet van 1895 zelve niet ook in deze richting meer vastheid zou kunnen geven.

Men zal zeggen: niemand behoeft een valsche factuur

Sluiten