Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f 3000 belastbaar inkomen, waarvan de ééne in Baarn woont en daar te offeren heeft 1 % of f 30; de tweede woont in den Haag en brengt daar op 3 % of f 90; en de derde woont te Dordt en moet aan den gemeenteontvanger brengen 0 % of f 180.

Ik veronderstel verder, dat het rijk van elk f 50 vraagt, dan betaalt de Baarner vóór de hulp een totaal 30 + 50 = f 80, de Hagenaar 90 + 50 = f 140 en de Dortenaar

480 + 50= f 230.

Als nu alleen Dordt wordt geholpen, zeg met de afneming door het rijk van de hellt zijner gemeentelasten, dus met M*-0 = f 90. dan moet zich die ƒ90 verdeelen over de drie belastingschuldigen, zoodat zij in plaats van f 50 aan het rijk, elk nu f 80 op te brengen hebben.

De Baarner zal dus nu aan rijk en gemeente samen offeren f 110 of f 30 meer.

Gaat het rijk echter alle drie met de halve afneming hunner gemeentelasten helpen, dat is met de helft van f 180, f 90 en f 30, dat is dus met de helft van f 300 of f 150. dan verdeelt zich die f 150 weer over de drie en krijgt elk f 50 meer te dragen.

Toen Dordt alléén geholpen werd kreeg de bewoner van Baarn f 30 aan rijksbelasting méér op te brengen ; nu ook hij geholpen wordt, is de vermeerdering zijner rijkslasten f 50 of f 20 meer.

Hij werd echter slechts ontlast met de helft zijner gemeentebelasting, d. i. met de helft van zijn f 30, of met ƒ 15. ° Door hem dus ook in de subsidieering te betrekken wordt hij f 5 van mindere conditie.

Het wil mij daarom voorkomen dat de rijke gemeenten in het belang harer ingezetenen er op aan moeten dringen de subsidie aan zoo weinig mogelijk gemeenten te gunnen en haar dus alleen te geven daar waar de nood het nijpendst is. In een gemeente waar de gemiddelde draagkracht grooter is dan de gemiddelde draagkracht in het rijk geeft een algemeene hulp verzwaring van belasting; indien de gemiddelde draagkracht in een gemeente minder is dan die van het rijk, brengt algemeene hulp verlichting van lasten.

Sluiten