Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wet van 1897 daaraan toekent. Maar de subsideering wegens het accijnsverbod volgens die wet dient herzien.

De wet van 1897 gaf overal vergoeding voor de verboden accijnzen, en daarmee streefde zij haar doel voorbij; niet alle gemeenten immers lijden door dat verbod, alleen die, waar het klein bedrag aan belastbaar inkomen maakt dat' de directe belastingen boven een dragelijk percentage moeten worden opgevoerd. Wordt dat percentage oveischreden, dan eerst trede het rijk helpend op.

Ziedaar de clou van het voorstel.

De persoonlijke directe belasting, die een gemeente heft, dient te worden vergeleken met een maatstaf die aanwijst hoe zwaar de druk in een gemeente kan zijn, dien men veilig aan haar te torsen kan overlaten. Wordt die maatstaf "overschreden dan treedt de subsidieering voor het

accijnsgemis in.

Die maatstaf is natuurlijk een zeker dragelijk percentage van het belastbaar inkomen in de gemeente. Ineen rijke gemeente waar dat inkomen hoog is, is de maatstaf groot; in een arme, waar weinig kracht tot dragen is, is de maatstaf klein. Rijke gemeenten, die hun duur budget met een laag percentage inkomstenbelasting of lage opcenten personeele belasting kunnen betalen, omdat er zoovele groote inkomens zijn opgehoopt, vallen dus buiten de accijnsvergoeding; gemeenten waar de inkomens betrekkelijk zóó gering zijn, dat haar budget slechts ten koste van een hoog belastingpercent valt te bestrijden, worden geholpen. Kon men maar dien maatstaf precies berekenen! Maar het belastbaar inkomen in een gemeente is niet bekend.

De bedrijfsbelasting en de vermogensbelasting leeren samen nog niet dat inkomen kennen, want om maar één bezwaar te noemen — de eerste laat den landbouw vrij. De inkomstenbelastingen der gemeenten leveren hier en daar uiterst onbetrouwbare cijfers.

Aan dit bezwaar is door de voorstellers tegemoet gekomen, door voor dien maatstaf aan te nemen, niet een zeker percentage van het onbekende belastbaar inkomen.

Sluiten