Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijk en gemeente helï'en samen; wat de een neemt gaat voor de andere verloren. Niettegenstaande dus de rijks directe belasting nog licht is te noemen, is zij voor verhooging haast niet meer vatbaar!

Wegneming door een rijkssubsidie van de in de noodgemeenten bestaande overmatige opstapeling der directe belastingen, waar dit door belastinguitbreiding niet voldoende kan geschieden, opent dus voor het rijk vanzelf de

bron, waaruit het geld voor de subsidie moet worden gehaald.

Aan het rijk blijve zooveel mogelijk de zuivere persoonlijke directe belasting, omdat deze belastingsoort voor de gemeente onpractisch is; immers door de steeds beter wordende verkeersmiddelen onttrekt de belastingschuldige er zich te gemakkelijk aan. Bovendien is zij voor de gemeenten te moeilijk.

Het rijk zorge zijn directe belastinggebied zoo ongerept mogelijk te bewaren. Daarin ligt nog een groote bron voor toekomstige rijksbehoeften.

Aan de gemeenten, die zulks behoeven een deel der rijksaccijnzen, als vergoeding voor het verlies ervan; met die vergoeding moeten hare directe belastingen worden verlaagd; het rijk herstel Ie het verlies door verhooging der zijne.

Dit idee, ook door den heer C. U. W. Raedt menigmaal besproken, is, dunkt mij, helder en juist.

Maar dan moeten ook de gemeenten hare directe belastingen bij de ontvangst van de subsidie zooveel mogelijk verlagen, anders wordt het doel niet bereikt.

En daarmee kom ik terug op mijn gezegde, dat het te bejammeren is. dat de heeren Heemskerk en Pollema hun voorstel bedierven door te bepalen dat de meerdere subsidie over S jaar zou worden verdeeld; want daarmee wordt de belastingverlaging onmogelijk gemaakt. Weer als voorbeeld Amsterdam nemende : '/8 van "f 1.500,000 is f 200,000; wij becijferden een gemiddelde belastingverzwaring van ruim f 170,000; waar blijft zoodoende de belastingverlaging, zoo noodig voor de gemeente en zoo nuttig voor 't rijk?

Sluiten