Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wordt Droog Eiereiwit opgelost in de tienvoudige hoeveelheid water en de oplossing gefiltreerd, dan moet het filtraat een heldere, lichtgele, eenigszins slijinige vloeistof zijn met het soortelijk gewicht 1,020. Wordt deze oplossing met het vijfvoudige volumen water verdund en gekookt, dan stremt zij tot een dikke brij ; wordt de aldus verdunde vloeistof echter vooraf gemengd met een vijfde van haar volumen azijnzuur, dan moet zij bij koken helder blijven.

Wordt lOcM? eener oplossing van Droog Eiereiwit inwater (1 = 100) vijf minuten krachtig geschud met een mengsel van 5 cM? phenoloplossing (1 — 20) en 1 cM? verdund salpeterzuur en gefiltreerd, en wordt dan op 5 cM? van het heldere filtraat voorzichtig een ongeveer gelijk volumen spiritus gebracht, dan mag de grenslaag geen troebeling vertoonen {gom); 5 cM? van genoemd filtraat wordt door één druppel ioodoplossing geel, doch mag niet geelrood of bruinrood worden (dextrine).

Droog Eiereiwit mag niet minder dan 11 pet. stikstof bevatten, bij 105° niet meer dan 20 pet. aan gewicht verliezen en na verbranding niet meer dan 6 pet. asch achterlaten. Deze asch moet vrij zijn van zware metalen.

+ Alcohol absolutus.

Absolute Alkohol.

C2H6.OH met ten hoogste 1 pet. water.

Vloeistof met het soortelijk gewicht 0,794 —0,799 en het kookpunt 78,4°, die overigens moet voldoen aan de eischen, bij Spiritus gesteld, en bovendien aan den hier volgende.

2 cM? Absolute Alkohol moet met 5 cM? zwavelkoolstof een volkomen helder mengsel geven.

Sluiten