Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

+ Folia Belladonnae. Belladonnabladen.

Doodkruidbladen.

De bladen van Atropa Belladonna, LiNN.Sp. PI. 181, verzameld van liet bloeiende, in ons vaderland gekweekte kruid.

Enkelvoudig, gesteeld, ten hoogste 2 dM. lang. Bladschijf in gedroogden staat zeer dun en bros; langwerpig; vedernervig; top een weinig toegespitst; voet spits en in den steel overgaand; rand gaaf. Oppervlak: hoofdnerf, aan de onderzijde ook de zijnerven en kleinere nerven, verder de rand zwak behaard, althans bij jonge bladen; in drogen staat door de loupe gezien, zeer kleine witte puntjes vertoonend, die aanduiden, waar kristalgruiscellen gelegen zijn.

Microscopie van het poeder. Groen parenchym; één laag palissadecellen. Cellen met kristalgruis in het sponsparenchym. Tallooze, losse, kleine kristalletjes uit deze cellen afkomstig; de meeste onregelmatig driehoekig, met scherpe punten; 3 — 5 ;j.. Opperhuidcellen van onder- en bovenzijde met gegolfde zijwanden, dikwijls met kronkelende cuticulastreping; huidmondjes talrijker aan de onder- dan aan de bovenzijde. Meercellige haren, ook gesteelde klierharen met één- of meercelligen kop, treden weinig op den voorgrond. Spiraalvaten. Fijne, staafvormige zetmeelkorrels in vele cellen van het groene parenchym.

Reuk der versche, gewreven bladen eenigszins verdoovend; smaak zwak bitter.

Wordt een mengsel van 3 cM? aether en 2 druppels ammonia met 150 mG. poeder van Belladonnabladen geschud en daarna gefiltreerd, dan moet de verdampingsrest van de aetherische vloeistof, opgelost in 1 druppel verdund zwavelzuur, na toevoeging van 5 druppels water, een vloeistof geven, die door 1 druppel kaliummercuriiodide duidelijk troebel wordt.

Sluiten