Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Echte doosvruchten, lang tot ten hoogste 8 cM., dik tot 3,5 cM.; samengesteld uit een veranderlijk aantal vruchtbladen: M=:9,5, Q = l,2, éénhokkig, met onvolkomen tusschenschotten; zeer verschillend van vorm, van bijna kogelrond tot eivormig of smal langwerpig; aan den voet schuin afloopend of meer plotseling versmald tot een ongeveer 1 cM. langen, massieven steel, die zich beneden weer verbreedt tot een ronde, schijfvormige verdikking met afgeronden rand en aan de onderzijde de litteekens van meeldraden, kroon en kelk. Indien de steel niet later nog eens afgesneden is, vertoont de sneevlakte gewoonlijk zwarte resten van ingedroogd melksap. Vruchten naar den top geleidelijk dunner wordend of met een eenigszins dunneren hals, die het stempelschild draagt. Stempelschild tot 2,5 cM. in middellijn, vlak, stervormig, de diepe, eenigszins driehoekige insnijdingen van den rand in aantal en plaats met de vruchtbladen overeenkomend; op elke slip een straalsgewijs loopende, verheven lijst, eenigszins ruw van oppervlak en smal gesleufd; deze lijsten vereenigen zich in het midden en vormen dus een stervormige figuur; in plaats komen zij met de tusschenschotten overeen. Uitwendig oppervlak eenigszins bultig; de naden der vruchtbladen zichtbaar als ondiepe, overlangsche gleuven, op den vruchtsteel als stompe, boven bij het stempelschild als scherpe, kielvormigelijsten; kleurgroenachtig-grijs, min of meer berijpt; de naden gewoonlijk lichter van kleur; stempelschild licht-geelbruin; stempellijsten donkerder bruin. Inwendig oppervlak van den tot 1 mM. dikken, brossen vruchtwand overlangs gerimpeld, licht groenachtig-geel. Onvolkomen tusschenschotten sikkelvormig, dun en bros; tot op ongeveer l/x van den straal naar binnen toe zich uitstrekkend ; licht-bruingeel; over het geheele oppervlak, ook aan de randen, bedekt met talrijke zaden, die later losraken, of met in de lengte gerekte stipjes: de litteekens der zaden. Zaden soms alle, soms voor een groot deel onrijp; rijp onge-

Sluiten