Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

+ Lignum Quassiae.

Kwassiehou t.

Het hout van Quassia ain ara, Li.vn. Sp. PI. ed. II. 553 en van Pi era e na excelsa, Lindl. Fl. Med. 208.

Het Surinaamsche kwassiehout (van Q. a ma ra) in stokken, tot 1 M. lang, 2 tot 4, ten hoogste 10 cM. dik, met een ten hoogste 2 mM. dikken, als een losse koker het hout omgevenden bast; deze van buiten dof-vuilgrijs of' bruinachtig, weinig gebarsten.

Het Jamaikaansche kwassiehout (van P. excelsa) in 15 cM. hooge blokken van tot 40 cM. dikke stammen, met een vaster aan het hout bevestigden, tot 1 cM. dikken bast; deze van buiten grijs-geelbruin, met schorsschubben.

Hout van beide soorten witachtig of zwak geelachtig, zeer gelijkmatig van bouw, licht, taai, gemakkelijk splijtbaar, dikwijls met blauwachtig-zvvarte vlekken geteekend. Op de gladgeschuurde dwarsdoorsnede kan men schijnbaar jaarringen, die meestal niet gesloten zijn, onderscheiden, verder fijne mergstralen en vele stippels, met groepen van houtvaten overeenkomend. Het hout wordt meestal in den vorm van schaafsel gebruikt.

Microscopie van het poeder. Libriformvezels, gemiddeld 16-20 dik, met niet zeer dikke, kleurlooze wanden en spleetstippels; dikwijls tot bundels vereenigd. Mergstraalcellen, dikwijls in rijen dwars over de vezelbundels heenloopende; tangentiale wanden door talrijke stippelkanalen parelsnoervormig. Stukken van vaten met korte leden en zeer fijne, dicht bijeenstaande, soms in dwarse richting eenigszins uitgerekte hofstippels. Zetmeel in uiterst geringe hoeveelheid. Somtijds vertakt, zwartbruin of paarsachtig zwammycehum. De verschillen tusschen de poeders van beide bovengenoemde houtsoorten zijn zóó gering, dat men dikwijls

Sluiten