Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De sleutel tot het verstand der Schrift is volgens Kohlbrügge erkenning van Gods Wet. (a.w. blz. 81, Johs. I, vs. 1) Daardoor kwam hij in die vreeselijke benauwdheden, waarvan hij vooral getuigt in den brief aan Drost. En hoe is hij daarin tot kennis van het Evangelie gekomen ? Door ervaring, maar die ervaring stond in het nauwst verband met Gods Woord. Of ging het buiten Gods Woord om, was het niet veeleer juist doordat hij Gods Woord tot zijn recht deed komen, dat hij het inzicht kreeg in Rom. 7, vs. 14! Hij had gemeend, dat die plaats zonder komma moest gelezen worden: Ik ben vleeschelijk onder de zonde verkocht (dus: voorzoover ik vleesch ben). In Elberfeld door Krummacher gevraagd om te preeken, bad hij God om een tekst, sloeg het Grieksch op en las: Ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde. „Ik weet niet", zoo schrijft hij, „dat „mij in mijn leven iets meer aangegrepen heeft als die komma „te zien. Ik viel neder voor den Heere, loofde Zijnen Naam, „prees Zijne erbarming en schreef met eene voor mijzelf onbe„grijpelijke snelheid de preek op". (Brief aan Freule U. v.Verschuer, 23 Nov. 1833.) En ook dat onze oude mensch met Christus gekruisigd is, het is toch niet iets wat Kohlbrügge slechts op grond van subjectieve ervaring meende, maar het staat er in Rom. 6, vs. 6; en dit heeft hij juist geleerd: deze waarheid tegen alle anders-zien en ervaren vast te houden. (Zie de preek over Rom. 7, vs. 14 aan het slot, over Rom. 6, vs. 6a (IVe Twaalftal), en den brief aan Drost (Lonkhuijzen, bijlage B blz. 17): „De gewone tegenwerping is: maar als ik het toch niet zie, als

„ik het toch anders ondervind, hoe kan dat dan waar wezen ?

„Daartegenin heb ik altijd geantwoord: Zoo staat er geschreven „en gij moogt toezien. Vroeger, toen ik, schoon ik het honderd„maal gelezen had, ook niet las, wat er stond — ben ik tot de „vragen gekomen, waartoe gij nu komt, en kon het toen evenzoo„min rijmen.... en (blz. 21): Evenzoo is het met het afgelegd „hebben van den ouden mensch, en het aangedaan hebben van „den nieuwen mensch. Wie niet ziet, en gelooft, heeft het. Mag „ik het gelooven? Ik moet, vanwege mijne anders zware ellendigheid — nog meer vanwege God, die geen ellendigen, dien ,,'t om Zijne Wet te doen is, bedriegt."

Het is bij Kohlbrügge geen subjectivisme. Hij wil zijne gezindheid niet aan anderen opdringen. Hij schrijft in 1845 aan iemand, die hem vroeg over de inenting: „Ik meen, dat mijn particulier gevoelen in deze zaak aan anderen niet tot regel wezen moet, maar dat een iegelijk zich dezen regel gezet hebbe,

Sluiten