Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

. Kohlbrügge was van die éénheid ten volle bewust. In 1871, bij gelegenheid van zijn jubileum, zeide hij, dat sedert 1833 al zijne predikaties zijn „als uit één stuk". (Zie „Zur Feier des 25jahrigen Bestehens unseres Vereins, S. 19.)

Eene zware wetenschappelijke fout was het dus van Dr. van Lonkhuijzen, die het genoemde woord wel kende (zie blz. 363) om toch telkens een deel der uitspraken van Kohlbrügge apart te zetten, als „ongereformeerd" te veroordeelen, en andere, van waaruit het juiste licht daarop kon vallen, te behandelen als „gelukkige inconsequenties". Of, wanneer hij zelf in dispuut met een Arminiaan, op het verwijt van dezen, dat zijne leer der Goddelijke voorbeschikking alle verantwoordelijkheid opheft, zou wijzen op zoovele uitspraken ook in dit boek, dat de me'nsch geen stok en blok is, en de ander zoude zeggen: Dat is eene gelukkige inconsequentie — hoe zou hij het vinden?

Tengevolge van deze fout, die door geheel het werk heenloopt, werkt het boek van Dr. van Lonkhuijzen in weerwil van alle studie die er aan besteed is, het overal heerschende misverstand ten opzichte van Kohlbrügge nog meer in de hand. Zoo heeft ook Ds. Lingbeek (Gereformeerde Kerk 7 Nov. 1907) door dat werk den indruk gekregen, dat er als 't ware twee Kohlbrügge's zouden zijn, één „op 't kantje af" en de ander „gewoon Gereformeerd".

Had Dr. van Lonkhuijzen op grond van bovengenoemde uitspraak niet moeten vragen, of de stukken, die hij als onvereenigbaar tegenover elkaar plaatst, niet in het nauwste verband staan; zooals b.v. bij de heiligmaking het objectieve werk van Christus, waardoor wij van de zonde zijn losgemaakt, en het subjectieve werk des Geestes, waardoor wij die verlossing deelachtig zijn? Wij zullen nu in ons geschrift vooral dit verband, die éénheid moeten aantoonen.

Daarbij zullen wij telkens nog met iets anders te doen krijgen, dat door Van Lonkhuijzen's geheele werk heengaat; Kohlbrügge wordt daarmede min of meer in een hoek gezet,' dat hij meer Luthersch heet te zijn dan Gereformeerd. Mij dunkt, ' dat Van Lonkhuijzen juist daarin ongereformeerd is. Niet door de Gereformeerden, maar door de Luthtrschen is het verschil voortdurend op den voorgrond gezet. Bekend is, dat Zwingli aan Luther de broederhand toestak, maar dat deze ze weigerde. Calvijn in 't bijzonder heeft niet hetgeen hem van de Lutherschen scheidde op den voorgrond gezet, onderteekende zelfs de Augsburgsche Confessie, was tot zijn einde zeer bevriend met

Sluiten