Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„beantwoordde dus aan den Raad en wil Gods, dat hij God, „zijnen Heere, kon liefhebben van ganscher harte, van ganscher „ziele en uit alle krachten. Hij werd dus geschapen in de „hoogste gelukzaligheid, welke in God is, voor zoover God haar „aan het schepsel kon mededeelen; hij was georganiseerd, om „God te verstaan, voor zooveel als een mensch in zijn geluk, „dat hij van God en in God had, Hem kon verstaan. Hij kon „God kennen als den oorsprong van alle goed; hij was gelukkig „en zalig in Gods wijsheid, almacht, goedheid, gerechtigheid, „barmhartigheid, waarheid, toegenegenheid, genade en trouw. „Wel kon hij de diepten der Godheid niet doorvorschen, niet „begrijpen, noch omvatten het onnaspeurlijke, het oneindige, het „eeuwige van Gods deugden en volmaaktheden; niet dat omkatten : hoe alles, wat in God is, God Zelf is; maar daarin was „hij geschapen, daarin ademde en leefde hij, daarin was hij „gelukzalig, dat hij in God zijn eeuwig eenig al, zijn hoogste „goed vond en had, en voortdurend meer vond, wat eens „menschen hart in den omgang met God van gerechtigheid en „heiligheid, van waarheid, licht en kracht, van rust, vrede en „vreugde, in somma: van de hemelsche liefde uit God op aarde „noodig heeft, om ook met zijne medeschepselen of mede„menschen gelukzalig te leven en ze in het medegenot van „zulke gelukzaligheid te laten leven." Van dat „beeld Gods" wordt op blz. 14 ook gesproken als van den levenden geestelijken band der liefde Gods en Zijner gelukzaligheid, om ze te genieten en in het leven daar te stellen. In zijn niet uitgegeven Catechismus („Lehre des Heils" Fr. 11) verklaart hij het beeld Gods aldus: „Toen God sprak: „Laat ons menschen maken", was dat „spreken een uitvloeisel en eene afstraling Zijner heerlijkheid. „Hij gaf daarmede aan de beweging Zijner ingewanden en aan „Zijne innerlijke barmhartigheid eene gestalte. Dat is het beeld, „waarin Hij mij maakte." Scherp zegt Kohlbrügge in den brief aan Drost (zie Van Lonkhuijzen Bijlage B 19) „God schiep den „mensch in Zijnen beelde. Daar God Geest is, is Zijn beeld: „de afstraling Gods, de uiting van Zijn Wezen, Zijne heerlijkheid. Uit dat beeld is de mensch uit het beeld dat

„zoekt hij in zich hersteld te krijgen, inplaats dat hij erkenne, „het beeld Gods nooit in hem, maar hij in het beeld Gods „geschapen is geweest."

Wat wij in deze aanhalingen opmerken, is vooreerst dit, dat we ons hier bij de uitdrukking „Gods beeld" moeten losmaken van hetgeen men gewoonlijk daaronder verstaat. Hier wordt

Sluiten