Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„men boos is? De ervaring logenstraft zoodanige bewering. „Het kind, nauwelijks eenige weken oud, heeft nog op geen „voorbeeld acht kunnen geven, en toont toch, dat het boos is. „Vr. 27. Maar wanneer iemand wilde, zou hij niet kunnen? „Niemand is er die wil, ook niet tot één toe. Vr. 28. Wanneer „hij echter wilde? Daarin zit het juist, dat niemand wil. Vr.29. Aan „wien ligt dus de schuld? Niet aan God, niet aan de Wet, „niet aan den duivel, niet aan den naaste, niet aan mijn hart, „niet aan mijne natuur, niet aan mijn vleesch of aan mijne ledematen, „niet aan de zonde, maar aan mij, zooals ik tegen God ben. „Daarom zegt David: Tegen U, U alléén, heb ik gezondigd. „(Ps. 51 :6.) Vr.31. Wat zegt de Mond der Waarheid van'smenschen „overleggingen en hoedanigheid? (Ik spatieer.) Uit het hart „komen kwade gedachten, moord, overspel, hoererij, diefstal, „valsche getuigenissen, lasteringen. Vr. 34. Waarin bestaat dan „uwe zonde? Daarin, dat ik mij tot alle goed onbekwaam heb „gemaakt, en mitsdien Gods Woord niet geloof, noch vertrouw, „maar met mijn oordeelen over goed en kwaad steeds mijn heil „zoek in hetgeen zichtbaar is. Vr. 35. Is het waar, dat een mensch „van nature geneigd is, God en zijnen naaste te haten? Hij is „daartoe niet slechts geneigd, maar hij doet het werkelijk, gelijk „de Schrift van ons zegt, dat wij haters Gods zijn en elkander „haten; en: dat de gezindheid des vleesches vijandschap is tegen „God. Wie dat niet van zich erkennen wil, levert voor deze „waarheid het sterkste bewijs door allerlei daden van willekeur „en huichelarij."

Ik behoef hier niets meer aan toe te voegen. De lezer oordeele zelf. Hoe kwam Dr. van Lonkhuijzen er toe, op deze vragen niet te letten? Hij staat onder den invloed van de ongerechtvaardigde beschuldiging van Dr. Kuyper tegen Dr. Böhl, als zou volgens dezen de zonde niets anders zijn dan een missen van de sfeer Gods en een zijn in de sfeer des doods. (Zie Aanteekening 6.) Nu moest er iets van dien aard ook bij Kohlbrügge aanwezig zijn, en meenende het gevonden te hebben, leest Dr. van Lonkhuijzen niet verder door. Ook plaatst hij zich niet voor de vraag, of de kwestie van den zetel der zonde — in of buiten den mensch? — wel in de geïncrimineerde woorden aan de orde is, en niet veeleer de kwestie, wat God als zonde beoordeelt.

Eene belangrijke uiteenzetting van de zonde, waarin vooral de stoffelijke opvatting der zonde en dat schuld zoeken bij iets anders dan bij zichzelven bestreden wordt, vinden wij in de Brieven bl. 45 en 47; wij deelen ze hier uitvoerig mede:

Sluiten