Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij hebben nog een paar geschilpunten te behandelen naar aanleiding van de leer der zonde. In verband met het voorgaande neemt Van Lonkhuijzen aanstoot aan de verklaring van Rom. 5:12: „in welken (dood) zij allen gezondigd hebben". Hij meent dat dit: „in welken" moet zien op Adam. In verband daarmede staat het beweren van Dr. A. Kuyper, dat werkelijk de wortel onzer persoonlijkheid in Adam gezeten heeft, in zijne lendenen, en dat wij dus in zekeren zin toch persoonlijk in Adam zouden gezondigd hebben. (Zie Kuyper, Gemeene Gratie II bl. 387.) Hoewel bij die opvatting een aanstoot voor ons verstand zou weggenomen worden, is die echter aan te ernstige bedenkingen onderhevig, dan dat wij ze zouden kunnen overnemen. (Zie Aanteekening 9.)

De vraag, waarom de zonde van Adam aan alle menschen wordt toegerekend, kunnen wij niet doorgronden. De Schrift leert ons, hoe er niet slechts schuld is van enkele personen, maar ook solidaire schuld van familie's, geslachten, volkeren, ja van het geheele menschdom. De ervaring bevestigt het, en wie fijn gevoelt, die zal de schuld van zijn vader, zijn geslacht, zijn volk, gevoelen als zijne eigene. Eenigszins kunnen wij het ons voorstellen door de opvatting van Adam als verbondshoofd, maar doorgrond is het daarmede niet.

Wij merken nog op, dat die voorstelling van Dr. Kuyper c.s. kwalijk te rijmen is met het Creatianisme, de leer, dat God de ziel des menschen bij zijne ontvangenis eerst schept, welk gevoelen door nagenoeg alle Gereformeerde auteurs gehuldigd wordt. Integendeel neigt het zeer sterk tot het Luthersche Traducianisme. Terecht zeide echter Dr. Kuyper in een zijner vroegere werken (Leer der Verbonden bi. 101): „Uit dien hoofde dringen „we er dan ook ten ernstigste op aan, dat men toch eindelijk „eens ophoude terwille van zoogenaamd zedelijke motieven, alle „schuld personeel te willen maken, d. i. geene andere schuld te „willen erkennen, dan die de mensch zelf, voor zijn eigen ik, „personeel heeft aangegaan."

De verklaring, dat wij in den dood, of liever: op grond van den dood, die tot alle menschen is doorgegaan, ook allen gezondigd hebben, is de eenvoudigste, de meest voor de hand liggende, en laat ook de erfzonde, die de vertalers in dezen tekst terecht vonden, volledig tot haar recht komen. De zonde gaat hier niet, zooals Van Lonkhuijzen weer denkt (bl.404)op in de schuld, in den „toestand des doods", maar is een gevolg daarvan. Nader wordt dat uiteengezet in de preek over Rom. 6: 2

Sluiten