Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 14 leert, dat de mensch van alle uitnemende gaven Gods maar enkele kleine overblijfselen heeft behouden, slechts genoegzaam om hem niet te verontschuldigen. Er bestaat hier niet zoozeer eene tegenstelling tusschen verminkt of beroofd en bedorven zijn, maar het een is een gevolg van het ander.

Hoe is het nu met Kohlbrügge? Terwijl wij boven zagen, dat hij met den Catechismus uitdrukkelijk de algeheele zondigheid des menschen leert, zoodat er volgens hem van het beeld Gods

— in engeren zin genomen — niets overgebleven is, zoo zagen wij juist in de aanhaling uit de Brieven, hoe de mensch van die voortreffelijkheid in het algemeen, van het „beeld Gods" in ruimeren zin, volgens Kohlbrügge, wel iets heeft behouden

— zoo veel, (aldaar zegt hij bl. 45 v.v. en Schriftauslegungen S. 14) om den mensch alle schuld te ontnemen; juist zooals in de Geloofsbelijdenis Art. 14.

Voorts: is de mensch naar zijn wezen door den val aangetast? Neen, zeggen alle Gereformeerde auteurs; slechts zijne natuur is bedorven. We noemen de Synopsis purioris theologiae, Brakel, d'Outrein — en Dr. A. Kuyper. (Zie Aanteekening 10)

Het is juist de overdreven voorstelling van den Lutheraan Flacius, dat nu na den val 's menschen wezen zonde zou zijn,

— Van Lonkhuijzen zal dat dan ook niet leeren.

Hoezeer echter 's menschen natuur van de zonde als 't ware doordrongen, door haar ontredderd is, doet Kohlbrügge juist op zulke plaatsen gevoelen, waar hij de zonde het „eigen" van den gevallen mensch noemt, of van iemand zegt, dat hij een mensch, dus een zondaar is, enz. Om uit zulke gezegden op te maken, dat Kohlbrügge de zonde slechts in den staat legt, moet hij wel Kohlbrügge's bedoelingen in haar tegendeel verkeeren. (Dr. van Lonkhuijzen bl. 399)

Na al het voorgaande zal het ons dan ook duidelijk worden, dat er van eene Roomsche opvatting van den oorspronkelijken toestand geen sprake is. De Roomschen, en vooral Pighius, leerden, dat de mensch reeds van zichzelven had een vrijen wil, en dat hem in de „oorspronkelijke gerechtigheid" slechts een gouden teugel was gegeven, om zijne begeerten beter in bedwang te houden. Na den val is alleen die gouden teugel weggenomen, en de mensch is onder de erfschuld geraakt, maar zoo erg is het nog niet met hem, zijn vrijen wil heeft hij nog. Bij geheel de zaak is de toeleg om maar den vrijen wil te behouden. Hier staat de mensch vóór den val geheel, na den val toch zooveel als mogelijk zelfstandig tegenover God. De

Sluiten