Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijkgesteld, dat Hij Zich dienzelfden Raad had onderworpen, „welken zich het volk onderwierp, dat Hij Zich in niets van de „overigen had willen bijzonderen, dat Hij — niet als zondaar, „want dat was Hij niet, — niet met zonden, want die had Hij „niet, — maar wat meer zegt, als zonde voor ons uit het water „des Doops had willen te voorschijn komen, — en daar staan „gelijk ieder ander mensch. Ja, dat was den Vader welgevallig, „dat Hij ofschoon Zoon, in niets onderscheiden had willen „wezen van de armen en ellendigen, ja van het gansche volk, „dat zich als kinderen Abrahams en als „het volk" liet verdrinken „om als niet-kind en niet-volk weder boven te komen en met „niets meer in de hand, opdat het van alles ontledigd en ontbloot, voortaan alleen bedekt ware met de genade des eeuwigen „Ontfermers." Hierop volgt, dat de Heere „Zich in die geomeenschap van verlorene broeders heeft ingeworpen, wier „vleesch en bloed Hij geheel deelachtig is geworden, om in 't „geheel niets meer te zijn dan zij." Waar Van Lonkhuijzen alleen de laatstgenoemde woorden aanhaalt (bl. 419), had hij op het voorafgaande wel mogen letten, vooral op hetgeen daar gezegd wordt: „niet als zondaar, want dat was Hij niet, niet met „zonden, want die had Hij niet, maar als zonde".

Alle plaatsen kunnen we hier niet aanhalen. (Zie voor enkele aanhalingen Aanteekening 11.) Nergens blijkt de verkeerde stelling, dat de zonde niet op, maar in Christus is gelegd. Maar dit is zeker, dat er verschillende wijzen zijn om de toerekening der zonde aan Christus voor te stellen. Men heeft het soms al te uitwendig, al te willekeurig gedaan, zoodat men den aanstoot van de tegenstanders der genoegdoening eenigermate kan begrijpen. Wij moeten dit vasthouden, dat Hij den nood over de zonde en den toorn Gods tot in het binnenste Zijner ziel heeft gevoeld, dat Hij Zich als het ware met ons heeft vereenzelvigd. „Waarlijk, er is geen gebed met sterk gercep en tranen tot „God, er is geen doodsangst, er is geen roepen uit de diepte, „zooals in de aangehaalde Psalmen (40: 2, 3, 13 en 69: 6) en „zooveel andere voorkomt, waar niet de zondesmart in het vleesch „ervaren wordt, waar niet gevoeld en gesmaakt wordt, wat „eigenlijk wortel en bron der zonde is, voornamelijk deze zonde, „dat men God niet kan gelooven op Zijn Woord, en de Wet niet „haar recht kan laten wedervaren. Maar juist daarom was Christus „vrij van elke zonde, opdat Hij schuldeloos in onze plaats onze „zonden zou kunnen dragen en daarvoor boeten in ons vleesch. „Op deze wijze is onze zonde in Zijn vleesch veroordeeld,

Sluiten