Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt het meer dan eens bij Calvijn voor (Inst. II, 12,3. Comm. Gal. 2: 20) en Dr. van Lonkhuijzen weet bij Calvijn de juiste verklaring te geven (bi. 433); waarom zich nu niet afgevraagd, of men zulke woorden niet bij Luther en Kohlbriigge evenzoo moet uitleggen? Men behoeft het toch maar eens even in te denken. Geven uitdrukkingen als: onzen „persoon", of „den persoon des zondaars" aannemen, een verstaanbaren zin, wanneer het woord „persoon" in de tegenwoordige beteekenis gebruikt wordt, nl. als een „ik", een wezen, dat op zichzelf staat, leeft, denkt, een individu? Dan kan men wel spreken van „mijnen", „uwen" of „zijnen" persoon, ook wel van „een zondig persoon, maar nooit van onzen persoon, of van „den persoon des zondaars". Als Kohlbrügge ooit het Nestoriaansche gevoelen had willen uitspreken, hetwelk Dr. van Lonkhuijzen hem toedicht, dat onze Heere werkelijk verschillende personen zou gehad hebben, dan had hij zich aldus uitgedrukt: „Hij droeg niet alleen een heilig persoon, maar ook een zondig persoon in zich", of: „een persoon zooals wij". Daarentegen laten zich de woorden: „Hij droeg onzen persoon", of: „den persoon des zondaars" niet anders verklaren dan: Hij nam onze rol op Zich, Hij vertegenwoordigde ons. De beschuldiging van Nestoriaansche ketterij is volkomen ongegrond. Zoo is het aan alle plaatsen, waar die uitdrukking voorkomt (zie Aanteekening 13).

Hoe de Heere Jezus geheel en al onze plaats heeft ingenomen en al onze ellende, onzen vloek en dood van het begin af heeft gedragen, is nog op ééne plaats op bijzondere wijze uitgedrukt. Het is de bekende aanhaling uit „Mattheüs I" S. 91, waarover zeer velen gevallen zijn en die menigmaal stof tot allerlei beschuldigingen heeft gegeven: „Indien het waar is, dat „het Woord „vleesch" werd, dan hebben wij hier het getuigenis, „hoe het vleesch geworden is: Vleesch van vleesch geboren; „niet van eene vleeschelijk reine geboorte, om quasi-erfzonde te „bedekken, maar vleesch zooals wij zijn, namelijk: „niet-Geest", „maar van God geheel en al verstoken en ontledigd, uit de „heerlijkheid Gods weg, begrepen in dezelfde verdoemenis, „of eeuwigen dood en vloek, waarin ook wij zijn van onze „geboorte af; overgegeven aan dengene, die het geweld dezes „doods heeft, gelijk wij van huis uit. Zóó is Hij voor ons „geboren van eene vrouw, en in dit ons wezen, met alle mensche„lijke affecten, begeerten en behoeften, „zonde" voor ons „gemaakt, was Hij hier in gelijkheid van een vleesch van zonde „in onze plaats."

Sluiten