Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

godgeleerden hebbende moeilijkheid ontweken door de bewering, dat de Heilige Geest de vrucht in Maria zoude bewaard hebben voor het overvloeien van de erfzonde. Die uitweg staat echter alleen open voor hem, die de zonde als iets stoffelijks, iets zelfstandigs opvat, waarvan de Gereformeerden terecht teruggekomen zijn. Verklaart men echter de zonde als eene beweging van alle krachten en gaven der ziel van God af, tegen Zijn gebod in; verklaart men ze juist uit het schrikkelijke oordeel, waarbij God Zich van den mensch geheel heeft teruggetrokken, dan blijft het vraagstuk als een schrikwekkende afgrond vóór ons staan, en dan begint men er eerst iets van te beseffen, welk een strijd, welk een nood dat voor den Heere geweest is, Zijn geheele leven lang. Kohlbrügge's oog is voor dat vraagstuk geopend geweest, en hij heeft het behandeld, niet met dogmatische spitsvondigheden, maar zóó, dat hij Gods Woord tot zijn recht deed komen. Hij had ook aan zich het vreeselijke van Gods oordeel ondervonden; hij wist van den ontzaglijken strijd om Gods wil te doen, te midden van ellende en onmogelijkheid. Zóó voelde hij er iets van, wat het voor den Heere geweest moet zijn.

In eene zijner preken over Hebr. 1 (vs. 4—6) zegt hij, dat de Heere daarom „minder" was dan de engelen, omdat de engelen niets in den weg hadden om Gods wil te doen: „Hem liet de Vader „alles in den weg zijn. De engelen volvoeren Gods bevel als „de bliksem, Hij onder roeping en tranen — omdat Hij in den „persoon des zondaars was en als zoodanig door het wereldlijk „en geestelijk gericht werd behandeld." (S. 32. Ie druk 29.) Overigens zegt Kohlbriigge even te voren, dat men dit niet moet verstaan, als ware de Heere „moreel" minder voortreffelijk geweest dan de engelen. „Zóó beschouwd is de voortreffelijkheid „der engelen tegen de Zijne, als van een straatsteen tegen „een diamant". Voorts zegt Kohlbriigge in zijne preek over Hebr. 5:8, 9, (Ve Twaalftal, bi. 10, 11): „Want de Apostel geeft het „ons hier te verstaan, dat, daar het ons onmogelijk was, om Gode „de gehoorzaamheid weder te brengen, welke wij aan God schuldig „waren, Christus in onze plaats, als priester voor ons, in dezen ver„schrikkelijken toestand der onmogelijkheid om den wille Gods te „doen, wijl wij Gods wil niet eens kennen, heeft willen zijn, en dat „nochtans de wille Gods zoo door Hem gedaan is, ja de gehoorzaamheid Gode zoo wedergebracht is geworden."1)

>) Van Lonkhuizen (bl. 410) spreekt hier van privatio actuosa: aan Hem stuit echter juist alle werking der privatio af.

Sluiten