Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„last van Gods toorn gedragen, het heeft den eeuwigen dood „als vleesch doorstaan, het heeft de genoegdoening, de verzoening, „de eeuwige gerechtigheid aangebracht. Het heeft den wil Gods „volkomen gedaan. Door welke kracht? Door geene kracht. Het „was het Woord, en ofschoon het vleesch was geworden, hield „het zich daaraan: „Ik ben het Woord; door Mij, het Woord, „geschiedt het". Het Woord hield Zich aan het Woord, zóó „heeft Het overwonnen."

Wij merken hier voorloopig op, dat Kohlbrügge's bedoeling is, het woord „vleesch" in den tekst tot zijn volledig recht te doen komen, ons te doen gevoelen al het schrikkelijke, al het ontzettende wat er in den toestand ligt, waarin het „vleesch" verkeert, en wat daaruit voortkomt. En wat de woorden aangaat: „stel het u voor zoo zondig, zoo ellendig, zoo afschuwelijk voor de Wet als gij maar wilt, zoo zeg ik het luide: zulk een vleesch werd het Woord", zoo hebben wij niet te denken, dat hier Christus Zelf zondig wordt genoemd. Uitdrukkelijk zegt Kohlbriigge: „Hij bleef het onschuldige, onbevlekte Lam." De verklaring vinden wij op de voorgaande bladzijde, alwaar ongeveer hetzelfde gezegd wordt: „Er was voor de Wet niets zoo ellendig, zoo zondig, zoo krachteloos als Hij"; daar wordt er aan toegevoegd: „Want de Heere wierp de zonde van ons allen op Hem". Het is hier de zaak, hoe de Heere, staande in onze plaats, door de Wet moest beoordeeld worden (Zie 2 Cor. 5: 21.)

Het verdere, dat hier behandeld moet worden, stellen wij uit totdat wij hier ook de andere, soortgelijke uitspraken onder de oogen hebben gehad.

Eene korte aanhaling hebben wij in de preek over 2 Joh.: 9b (VlIIe Twaalftal bl. 16): „Maar toen wij van God afvielen, werden „wij vleesch, een vleesch welks bestaan, hoeveel te meer welks „denken en handelen ten eenenmale boos is en zonde tegen „den eeuwigen Geest. In zulk vleesch nu kwam Hij, Die heilig „en onschuldig is en was, Die geene zonde gekend heeft — in „zulk vleesch heeft Hij desniettemin door eeuwigen Geest ons „in alle dingen tot God wedergebracht."

En vooral deze uitspraak in de preek over 2Joh.9(VIIIeTwaaIftal bl. 12 v.v.): „Onder „vleesch" wordt verstaan de mensch geheel „en al, zooals hij door zijne moedwillige ongehoorzaamheid, door „verleiding des duivels, uit het Woord Gods uitgevallen is, „nadat hij Gods gebod overtreden had en alzoo van God, Die „zijn leven was, geheel vervreemd is geworden, en nu daar-

Sluiten