Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft, volledig, geheel en al, zoodat alles volbracht is, en er niets af te betalen overbleef, dan moest God Zich ook van Hem terugtrekken, Hem verlaten, zooals de Heere ten volle gevoeld heeft en geuit in Zijn noodkreet op Golgotha; dan moesten ook alle werkingen, die uit dien toestand voortkomen, zich aan Hem doen gevoelen. Daaruit, uit dien van God verlaten toestand, is in laatste instantie de zonde te verklaren; de mensch in dien toestand heet vleesch, en zijn bestaan, denken en doen, zooals het uit dien toestand voortvloeit, kan niets anders zijn dan afval, oneindig herhaalde afval van God en overtreding van Zijn gebod.

Moest dat ook het geval zijn bij Christus? Als de Heilige Gods kon Hij niet zondigen; als „in vleesch gekomene", als onder het oordeel staande, was Hij wederom in een toestand, waarin het „doen van den wil Gods" was afgesneden. Hieruit ontstond de zwaarste verzoeking voor Hem, eene oneindig geweldige spanning. „De dood van Adam, het afzijn van God lag met alle vreeselijke macht op Hem." Dat veroorzaakte Hem die vreeselijke noodkreten, dat „offeren van gebeden en smeekingen onder sterke roeping en tranen".

Neen, wij mogen ons dat niet voorstellen, alsof er begeerten, neigingen tegen God, uit Zijn eigen zieleleven opkwamen, alsof daarin, zij het ook maar als een verborgen kiem, eenige andere begeerte ware geweest, dan om den wil des Vaders te doen. De verzoeking kwam van buiten, ook al werd hare macht van binnen in de allerhevigste pijnen, smart, nood en angst gevoeld. „In Hem was geen aangeboren vijandschap tegen God en Zijn Woord", zegt Kohlbrügge uitdrukkelijk in eene van die plaatsen, maar de toestand, waarin Hij Zich bevond, werd door Hem gevoeld, als 't ware als een dwangbuis, dat Hem alle beweging wilde onmogelijk maken, zich tegen eiken stap verzette op den weg dien Hij ging volgens des Vaders wil, den weg des geloofs bovenal, waarin Hij in weerwil van dit afgesneden-zijn nochtans aan den Vader vasthield.

„Den broederen in alles gelijk, heeft Hij boven alle anderen „voor anderen ondervonden alle de bespringingen van den „kant des vleesches, waarin Hij was, en van den kant van dien, „die het geweld had en de macht van den toestand buiten God. „Evenwel heeft Hij daar geen kennis van genomen, maar onder „de vreeselijkste worstelingen, waarvan wij ons geen denkbeeld „kunnen maken, dan slechts voor een stipje, omdat het op Hem „alles aankwam, voor ons Gode dien stand vastgehouden en „gehandhaafd, dien Hij had als doender van den wil des Vaders

Sluiten