Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„welke God van Hem gevorderd heeft, en welke Hij ook heeft „aangebracht." Heeft dan een prediker niet het recht, ja de roeping, nu eens deze, dan weder gene zijde van het werk van Christus in het volste licht te plaatsen? Moet men dan dadelijk eene kettersche lijn opsporen, als het niet op de platgetreden paden gaat? Trouwens, Ps. 40: 7—9 spreekt enkel van die dadelijke gehoorzaamheid en niet van den zoendood — en dat die woorden op Christus en Zijn werk zien, zal Van Lonkhuijzen toch ook toestemmen! In den Catechismus stelt Vraag 60 beide stukken naast elkaar, zonder van eenige voorkeur te doen blijken. In Psalmen als Ps. 22,40 en 69, in de geschiedenis in Oethsemane en Golgotha, in den Brief aan de Hebreeën, bv. Hoofdst. 5: 7—9, stelt de Schrift het wel terdege in het licht, hoe Christus Zich door den bittersten nood in 't geloof heengeslagen, gehoorzaamheid geleerd heeft en dengenen, die Hem gehoorzamen, eene oorzaak van eeuwige zaligheid is geworden.

Hoogst verkeerd is de wijze van voorstellen ook op dezelfde bladzijde (434): „Daarbij heeft de dood van Christus in de Gereformeerde leer niet, gelijk Kohlbrügge dit zegt, vooral daarin zijne beteekenis, „dat de mensch nu weg en God is God gebleven", maar de dood is eene betaling van de zonde". Wij hebben die plaats (Ie Twaalftal Rom. 5: 9, in den tweeden druk bl. 162,) in Aanteekening 3 uitvoeriger besproken. In het verband blijkt, dat die woorden juist niets anders willen zeggen, dan dat Christus met Zijn bloed, met Zijn dood, voor onze zonden betaald heeft!

Nog moeten wij opkomen tegen iets wat Van Lonkhuijzen op deze bi. 434, wel eene der ongelukkigste van zijn geheele boek, in 't midden brengt. „Kon toch Christus Zich in dien „zondigen toestand, in het „vleesch" handhaven en er Zich „doorheen worstelen, en zoo God „crediet" wedergeven, en „ligt daarin vooral het werk der verlossing, dan hadden, gelijk „Christus door Zijne goddelijke natuur, zoo wij dit door godde„lijke kracht kunnen doen. Dan vervalt de noodzakelijkheid van „Christus' menschwording. Met het „ook kunnen doen", vervalt „het „Moest de Christus niet deze dingen lijden?"

Vooreerst geloof ik niet, dat Kohlbrügge de uitdrukking zou hebben aanvaard: „Christus was in den zondigen toestand", wèl: „Christus was in het vleesch", of desnoods in een toestand van „zonde", van onmogelijkheid om den wil Gods te doen. „Zondige toestand" zou daarop wijzen, dat Zijn zieleleven zondig was, en dat leert Kohlbrügge nimmer. Verder: „en bestaat daarin liet werk der verlossing". Wij hebben reeds gezien: volgens

Sluiten