Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„te doen, wiens Naam is God met ons." (IVe Twaalftal: Rom. 6: 6b, bl. 19.)

Wij hebben het in Christus. „Niet dat Hij in dien zin „de goede werken voor ons in onze plaats daarstelde, dat wij „in het geheel geene goede werken zouden doen, en naar eigen „lust en begeerlijkheid van ons booze hart zouden leven; maar „juist omdat wij boos zijn en tot niets deugen, heeft Hij alle

„goede werken in onze plaats zoo daargesteld, dat wij

„evenwel in Zijne geboden zouden gewandeld hebben en gedaan „wat goed is in de oogen Gods; daarom schrijft de Apostel: „Wij zijn geschapen in Christus Jezus in goede werken." (Ille Twaalftal: Ef. 2: 10 bl. 13.) Dat „in Christus", wat beteekent het? Men glijdt zoo dikwijls over zulke woordjes heen. Kohlbrügge heeft hetgeen ligt in het „wandelen in Christus" aldus trachten weer te geven: „Laat Hij uw element blijven, waar gij u in „beweegt met al uw verstand en hart, met al uwe overleggingen en „gedachten, met alle uwe gevoelens en nooden. Blijft in Zijne „gemeenschap, in het Woord Zijnergenade. (Opleiding bij Col. 2:6, bl. 83, 84.) Met Hem, in Hem zijn wij gezet in den hemel, Ef. 2: 6. (N.B. De Duitsche vertaling heeft: in'shimmlische Wesen, — die uitdrukking is dus bij Kohlbrügge (Rom. 7. S. 110) niet iets aparts, zooals Van Lonkhuijzen schijnt te meenen, bl. 439, maar geheel schriftmatig, vooral als wij letten op den grondtekst.)

Intusschen, waar men nog zal toestemmen, dat de heiligmaking en de Christelijke wandel er zijn in Christus, in gemeenschap met Hem, zoo is er in den loop der tijden weinig daarop gelet, dat de Apostel deze dingen ook in het nauwste verband brengt met het werk, dat de Heere Jezus hier volbracht heeft. Rom. 6 past niet in menige theorie van heiligmaking, en toch kan men dat Hoofdstuk niet uit de Schrift scheuren.

Vooral verdient hier de aandacht het zesde Vers, waarover wij twee hoogst belangrijke leerredenen van Kohlbrügge hebben, dewelke wij hier in verkorting weergeven.

Wat meent de Apostel hier met „onze oude mensch"? Als daar een komt en zegt: dat weet ik zeer goed, en een ander: dat zal ik u uit mijne bevinding uitleggen, dan antwoordt Kohlbrügge: „Zacht wat! Of, als er nu iemand kwam en veel „vertelde van zijn ouden mensch, en een ander hem antwoordde: „komt gij wederom met uw oude stukken aan; wat moet dan „uw oude mensch? die is reeds lang mede gekruisigd! zoude „de eerste daar niet verlegen over worden en vragen: Hoe is het „hiermede gelegen ?" (bl. 4.) Ter vergelijking worden aangehaald

Sluiten