Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de tegenstellingen tusschen Oud en Nieuw Verbond, 2 Cor. 3: 6 en 14, tusschen de nieuwe schepping en de oude, Gal. 5: 15, 2 Cor. 5: 17 '), den ouden zuurdeesem en het nieuwe deeg,' 1 Cor. 5, voorts tusschen den eersten mensch, Adam, en den tweedenmensch, Christus, 1 Cor. 15: 21, 45, 47 en Rom. 5- 15

Nu wordt gewezen op Ef. 4: 22, alwaar het volgens de grondtaal luidt: gelijk het waarheid in den Heiland is, dat gij afgelegd hebt aangaande de vorige wandeling'den ouden mensch; voorts Col. 3:9 en Ef. 2: 15.

Uit de vergelijking van die plaatsen met Rom. 13: 14 en van Col. 3: 11 met vers 10 blijkt, dat Christus en de nieuwe mensch bij den Apostel hetzelfde is.

Dus is de nieuwe mensch: Christus en wat Hij heeft daargesteld, en de oude: Adam, en wat hij heeft bedreven, (bi. 8 )

„Wat deed Adam? Hij wilde als God zijn; hij overtrad en „stierf. Daarmede was het uit en voorbij met de schepping „met den mensch en met de Wet, dat de mensch die nog „zoude kunnen vervullen. Alles lag in den dood en alles onder „den vloek.

„Wat was Christus? Een nieuwe en iets nieuws voor den „verloren Adam. Wat deed Hij? Hij schiep wat nieuws en „maakte alles nieuw. Eene nieuwe schepping, een nieuw verbond, „een nieuwen Adam, een nieuwen mensch in Zich, een nieuwen „hemel en eene nieuwe aarde."

„Wat Adam nu was en deed, juist hetzelfde zijn en doen „alle menschen."

„Die andere mensch is de waarachtige nieuwe mensch, en „Zijne schepping eene nieuwe schepping, Zijn verbond een nieuw „verbond, en de oude mensch zijn wij2), (bl. 9, 10)

Waar Christus komt, is de toestand der dingen niet meer zooals die vroeger was. Zij, aan wie Paulus schreef, waren uit' hunnen ouden toestand, uit den toestand, dat zij waren en deden evenafs Adam het in het Paradijs gemaakt had, uitgezet; zij' hadden den ouden mensch, dat is hun toestand in Adam afgelegd, en waren in een anderen toestand, in Christus en Zijn' heil overgegaan, zij hadden dus Jezus Christus en Zijn Geest dat is den nieuwen mensch, aangedaan, (bl. 11.)' Een ambachtsgezel, die meester is geworden, is toch nog wel dezelfde persoon,

') Op beide plaatsen staat in den Grondtekst schepping en niet: schepsel.

J) Dat laatste volgt ook uit eene vergelijking met het „wij'' in vg. 4.

Sluiten