Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker is het Wet, als ik u predik: Ontwaak gij die slaapt, sta op „uit de dooden. Maak uwe roeping en verkiezing vast. Heb uwen „naaste lief gelijk uzelven; gij mannen hebt uwe eigene vrouwen „lief; gedraagt u matig, kuisch, weest elkander onderdanig, enz."

Wat heb ik dan echter gepredikt, als ik dit en duizend andere dingen voorhoud, ja beveel? Het had een doel, dat onze oude mensch is medegekruisigd. Daartoe is dat geschied, opdat wij den overigen tijd niet meer zouden leven naar de begeerlijkheden des vleesches, maar naar den wil van God zouden leven. „Ik zeg echter niet, dat wij het moeten doen, maar dat God „in Christus het Zelf voor ons gedaan heeft, opdat Hij ons zoo „voor Zich zoude gesteld hebben, dat wij naar Zijnen wil waren. „Dit nu drukt de Apostel in de volgende woorden uit: opdat „het lichaam der zonde te niet gedaan ware." ( Voor deze en dergelijke vertalingen zie Aanteekening 16.)

Wat is het lichaam der zonde? Niet het „zondige lichaam", alsof het in het lichaam, in de zinnelijkheid gelegen was. Daarmede heeft men altijd zeven gruwelen ingehaald, nadat men éénen had uitgedreven. Het is Heidensche leer. God zal den mensch ter verantwoording roepen, die ooit zijn lichaam mishandelt, alsof de schuld aan het lichaam lag. Uit het hart komt het voort; doch niet zoo, dat wij de schuld weder op het hart konden werpen, maar wij zijn het, naar ons innigste „Ik".

Wat bedoelt nu de Apostel met het lichaam der zonde? In zijne beeldspraak spreekt hij van een ouden mensch, en schrijft hem een lichaam toe; hij noemt het niet zondig, alsof het goed zoude zijn als men het zondige er van wegdacht; maar 't is een lichaam der zonde, zoodat het lichaam niets dan zonde is. Zoo spreekt hij ook van onze leden, die op de aarde zijn, en noemt als zoodanig niet oogen, handen en voeten, maar hoererij, onreinigheid, afgodendienst. Col. 3: 5. (bl. 16)

Dat lichaam der zonde is nu te niet gedaan. Hier roept Kohlbrügge hem toe, wien het om heiligheid te doen is: God Zelf heeft de zaak geheel in de hand genomen. Hij heeft het geweten, dat de volharding zoo min als de heiligheid, het wandelen in Zijne wegen, het blijven in Zijne geboden, eene vrucht van onzen akker is. Hij heeft niet het werk tot de helft gebracht, zoodat Hij de andere helft aan ons zou hebben overgelaten, om het met Zijne kracht, hulp of Geest uitterichten, zooals sommigen doen en dan de schuld op God werpen, dat Hij hun geen kracht of hulp heeft gegeven, (bl. 20.)

„Daarom is onze oude mensch mede gekruisigd geworden,

Sluiten