Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„eene toenemende heiligmaking, daarmede houdt zich de mensch „staande, en maakt van de Wet een wassen neus en van de genade „eene pomp.... Tot u is dat woord: „dat zij verre", gij, die daar „achter de woorden des Apostels „niet dat ik het aireede verkregen „heb of aireede volmaakt ben», - hetgeen hij tot onze veroot»moediging aldus bedoeld heeft, dat hij zichzelf niet beschouwde „alsof hij die dierbare leer van de genade, welke hij ook hier „predikt, reeds in haren geheelen omvang en tot in haren diepsten „grond had omvat, - u zoekt te verschuilen, om onder den „schijn van een trapsgewijzen voortgang het zondigen aan de „hand te houden .... Wat vermeet gij u met uwe haarkloverij, „der Waarheid eene verkeerde leer onder te schuiven! Houw „af den voet en de hand, ruk uit het oog, dat u in ongerechtigheid „gevangen houdt!"

ln het bijzonder is die Waarheid gepredikt in den bekenden Brief aan Drost (Van Lonkhuijzen Bijl. B. 16 vv.) En in de Opleiding zegt Koh brugge: Wat recht is bij God moet in ons vervuld

VV-e<Cu v,3' 6 ZC^' moe* er hij ons zijn: niet bespreken, met beschouwen, maar doen wat Qod zegt. Nu, hoe, wat is de weg. Rom. 6, daar heb ik het oog op. (bi. 124.)

Gaat hier nu alles in de toerekening op? Al blijkt het

tl i-m voorgaande genoegzaam, zoo zij er nog eens uitdrukkelijk gewezen op eene plaats uit eene preek over Marcus 16: 16 (IVe Twaalftal): „Moet dit „Zijnen dood gelijk„vormig worden", dit „gestorven zijn» niet bij ons tot leven „worden ? Is dit eene waarheid der toerekening en verder niet, „of is het eene waarheid des doens, zoodat hetgeen in Christus "V°o°n °ns waaracht,'g is, ook bij ons in Christus waarachtig "Z,J? Ik het laatst^" (bi. 15.) juist tegenover hen, die

ï,u • Iging Wel in de P'aatsbekleeding zal liggen, predikt Kohlbrugge over de heiliging, over het doen van Gods geboden Het vrijgemaakt-zijn van de zonde ligt niet in de plaatsbekleeding alleen, „maar in de gemeenschap des geloofs". (IXe Twaalftal: Rom. 6: 22, bi. 10.) „Voor God zijn rechtvaardiging en heiliging een en hetzelfde; want wanneer God iemand rechtvaardigt of rechtvaardig maakt, zoo maakt Hij hem overeenkomstig aan Zijne Wet; maar overeenkomstig de Wet kan niemand verklaard zijn, die niet zoowel van zijne onreinheid, als van zijne schuld en straf bevrijd is. (t. a. pl bl 5, 6) Daarop wordt de nadruk gelegd, dat Jezus ons verlost heeft van alle onwettigheid, tegenover hen die Hem slechts voor de vergeving der zonden willen. (IVe Twaalftal: Tit 2- U—14

Sluiten