Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bl. 23.) De ware geloovigen hebben den Heere niet slechts tot hunne rechtvaardigmaking, maar ook tot hunne heiligmaking aangenomen. (De drie Stukken van het Formulier van het Nachtmaal: VUIe Twaalftal bl. 31.)

Voor God zijn rechtvaardiging en heiliging één; ze hebben immers tot grondslag dezelfde daad Christi. Ik heb gerechtigheid en heiligheid in die ééne wonde (Christi). De heiligmaking behoort tot het Hoogepriesterlijk ambt Christi. (Door ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. Hebr. 10: 14.) Zij mag daarom niet na de prediking der gerechtigheid Christi en der genade, die heerscht ten leven, als een apart stuk gedreven worden, als eene daarvan wezenlijk onderscheiden zaak (wel de dankbaarheid, dat is iets anders). Maar het gaat niet buiten den persoon van den geloovige om, het wordt gewerkt in hem. (Hoogst Belangrijke Briefwisseling bl. 24, 39, 41, 45.)

Ook hier gaat het dus niet alles in den stand op, maar het wordt daaruit verklaard, het vloeit daaruit voort.

Gelijk wij echter Christus en al Zijne weldaden deelachtig zijn door het geloof, alzoo ook deze weldaad. Daarom besluit de preek over Rom. 6: 6 aldus: „Ja, gelooft, gij allen, „die vraagt naar hetgeen waarheid in Jezus is, die van de zonde „wenscht los te zijn, maar gedurig weder opnieuw onder hare „macht terneder ligt, en terwijl gij worstelt en strijdt, zoo wordt „het steeds erger en wil niet ophouden; ja, gelooft, en wederom „gelooft, en al zoudt gij ook wederom en nogmaals, naar het „zich laat aanzien, over dit uw geloof te schande gemaakt „worden, — gelooft, ten spijt van alle uiterlijke verschijnselen en „ervaringen, — gelooft, dat de zaak met de zonde zoo gelegen is, „als het zoete Evangelie het u hier voorhoudt, en al wilde de duivel „ook met al de macht der zonde op u aanstormen, de strijd „des geloofs is weldra ter eere vari Christus beslist, en wij, wij „zien de heerlijkheid Gods. Amen." — „En het is met ons in orde „ten opzichte van de Wet", zoo staat er aan 't slot van Rom. 7, „wanneer wij gelooven, altijd gelooven, niets doen „dan gelooven, dat beteekent: niet naar vleesch wandelen en „theologiseeren, maar naar Geest wandelen; wanneer wij „gelooven, dat wij gemeenschap hebben aan Hem, Wiens dood „ons afgekomen-zijn van de zonde is, Wiens opstanding ons „leven is, dat wij Gode leven, en de dood des doods."

Reeds hier voelen wij, welke ontzaglijke beteekenis er aan het geloof toegeschreven wordt, hoe diep het daarmede

Sluiten