Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„oudtante. Zulke strekking evenwel van eigenwillige geestelijkheid „waaruit toch niets goeds voortkomt, en welke opmenen geheel' „anderen grond rust dan de stemmigheid der kinderen, welke „de Apostel Paulus beveelt, is lijnrecht tegen Gods Woord „ten kind loopt in zijne eenvoudigheid daarheen. Het vraaet

"el'k hiiVn Hf ^ °Ü kV:aad? * Vadei" neemt aa" h^lve „elk bijzonder ding, dat het kind zou kunnen schaden, uit de

VIT?' 'aat dat Staan" Wie in ^el00f wande»- zit niet „met dobbelsteenen, om hoog of laag te werpen, of iets goed

„of kwaad zal wezen; hij plukt de bloemen, die zijn oog

„ evallen, hij gaat door de beemden, die zijn hart aantrekken

„Het veinzend hart vraagt altijd: zou het ook kwaad wezen?

„en zegt: ik zou het wel gaarne doen, maar het mocht niet sraed

„zijn en hunkert intusschen naar de toelating." (Opleiding bij

Prediker 7: 16, 17, bl. 100, 103.)

In dit licht is ook te beschouwen de wijze waarop Kohlbrüwe

ZrJÏL°Vert S,°mmigeidade" Van de g-eloovigen. Van Lonkhuijzen (bl. 459) zegt: de verschoonende wijze waarop Kohlbrügge spreekt van de zonden der heiligen; intusschen zijn hier niet bedoeld daden als Davids echtbreuk, Salomo's afgoderij, Hiskia's handelwijze tegenover de gezanten van Babel of de verloochening van etrus; zulke daden zijn door Kohlbrügge nimmer vergoelijkt maar veeleer met al de verborgen goddelooze drijfveeren aan e kaak gesteld; het geldt veeleer dingen als het bedrog van Rebekka en Jakob en de bloedschande van Thamar. Bij deze daden heeft Kohlbrügge hef zondige geenszins ontkend, en niet verzuimd te wijzen op de kastijdingen die op de betrokken personen kwamen; maar hij heeft niet willen stilstaan bij de gewone zedelesjes, die naar aanleiding van zulke geschiedenissen worden gepredikt; hij heeft aangetoond, hoe het bij die personen te midden van hunne zonde toch in hun schrikkelijken nood te doen geweest is om Gods Raad en Gebod, om Zijnen zegen om Zijnen Christus. We moeten hierbij daarop letten, dat de Schrift' die nog in Hebr. 12: 16 het gedrag van Ezau tot schrikkelijk voorbeeld stelt, over dat van Jakob en Rebekka zwijgt en dat de arme Thamar in Ruth 4: 12 met eere genoemd wordt. (Zie hierover bij Kohlbrügge Mattheüs I, S. 14, 15, 17 ff. Amsterdamsch Zondagsblad XII bl. 299.) Men werpe dus niet zoo snel steenen op deze personen. Dat hebben de Hervormers ook niet gedaan zooals onlangs nog weder door den thans ontslapen Ds. I. van Bolhuis is aangetoond. (Rebekka en Jakob, Groningen 1905.) De Schrift is dikwijls barmhartig, waar wij onbarmhartig zijn. Omgekeerd

Sluiten