Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten trooste voor dengene, die het doen van het goede niet bij zich vindt, hebben wij ons voortdurend te houden aan Fil. 2:13: God is het, Die in u werkt beide het willen en het volbrengen. Vooral wijzen wij op hetgeen Paulus zegt van hetgeen hij gearbeid heeft: Doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is- (1 Cor. 15: 10) Zóó zegt ook Calvijn: De goede werken, die God in ons gewerkt heeft, noemt Hij de onze. (Institutio III, 15, 3. Dominus quae in nos contulit bona opera nostra apellat.)

Alles op te offeren om Christus wil, enz. „is daar waar aan „den Geest gewandeld wordt; het is er, niet uit ons, ook niet „door ons, maar dit alles werkt de Heilige Geest.... en deze „Geest deelt aan een iegelijk het Zijne toe, gelijkerwijs Hij wil, „zoodal Uiristus geheiligd wordt in ons hart en in onzen wandel." (Ps. 51 bl. 104). Bij de Wet komt overal in de Schrift de belofte — „niet van genadekracht, maar de belofte voor zich, de HeereZelf, de genade, zal het doen." (Hoogst belangrijke Briefwisseling bi. 31.)

In dien zin is ons doen dus uitgesloten. Is het echter op te vatten als een geheel mechanisch werk, dat de mensch als een kanaal beschouwd wordt, waardoor het werk des Heeren heengaat? Neen, juist zoo is er in ons het doen van Gods wil, in de overwinning des geloofs. Van Lonkhuijzen (bl. 449) wijst op de „Tale Kanaans" bl. 35, alwaar de geloovige erkent, dat niet hij, maar zijn Koning alle slagen in zijn strijd voor hem gewonnen heeft. Hij vergeet hetgeen er kort daarop (bl. 36) staat: „Ik draag in mijn gordel een kleinen priem, geheeten: „Nochtans, — daarmede steek ik hem steeds ter rechter tijd in „zijn hart".

Wanneer er sprake is van een „doen" onder de Wet, naast de genade, naast het geloof, zegt Kohlbrügge: „Ach! Overal „waar het doen, en ware het ook maar een weinig — bij u „geldt, zijt gij onvruchtbaar bij de genade". Onmiddellijk volgt hier echter op: „Gelijk de almachtige Ontfermer mijne hand „gevat heeft, geleidt Hij mij naar Zijn Raad en doet mij Zijn „wil doen. Hij alleen stelt alles bij mij daar door Christus. „Gelijk Zijn oog op mij is, zoo houdt Hij in mij staande uit „de volheid Zijner trouw het geloof in Zijn Woord, tegen al het „zichtbare in; daardoor moet ik, en kan niet anders dan in Zijne „wegen wandelen en Zijne geboden bewaren." (Rom. 7. S. 60.)

Zeer duidelijk wordt het gezegd in de preek over den Heiligen Geest. „Intusschen verbergt Zich de Heilige Geest in

Sluiten