Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„spreken, gelijk het de Heere ons leert, of het velen, een of „geen is, in alle nederigheid en onderdanigheid, dit houd ik „uw weg te zijn".

In den weg der roeping weet Kohlbrügge van geen lijdelijkheid, gemakzucht of iets dergelijks. Zoo schrijft hij 23 Jan. 1838 aan iemand, die wegens bevroren vingers en andere ongesteldheid van zijn post af wilde: „Hoe het zij, uw leven is in Gods hand... „zoek Hem en gij zult Hem vinden, want die Hem in waarheid „aanroept, die Hem in den Name Jezu Christi Zijns geliefden „Zoons bidt, dien antwoordt Hij; dat dan uwe ziele geborgen „zij in Christo, daar komt het op aan.... Op uwen post met „moed te volharden, en daarbij in uwe wettige roeping Christo „te leven of te sterven, dat is de edelheid der ziel, waartoe ik „u oproep; — zijn post te verlaten om de moeilijkheden der „beginselen en omdat alles tegen schijnt te loopen, is den fieren „jongeling onwaardig, en behoort alleen thuis bij de leegloopers, „dien het hetzelfde is, of zij als mannen van eer of onder de galg „begraven worden."

In „de Tale Kanaans" wordt wel gezegd, dat des geloovigen liefste bezigheid is niets te doen (bl. 56); hij laat alle schrobben en schuren, hij kan niets doen, — en toch komt hij aan alle goede werken, haalt ze uit de volheid des Heeren, en als hij 't niet doet, wordt hij door den nood er toe gedreven, en hangt aan 's Heeren hals, en heeft wat hij hebben moet, en doet aan de menschen wat ze aan hem doen en wascht de voeten der heiligen met blijdschap, (bl. 61.) Dit laatste is weder door Van Lonkhuijzen voorbijgezien.

„De geloovige is zoo dood aan de Wet als een steen, waar „hij iets beteekenen moet; hij is zoo levendig bij de Wet als „een vuurvlam, waar het om Gods Naam, eer, waarachtigheid en „trouw gaat." (Fil. 1:11. bl. 18. He Twaalftal.)

De verontschuldiging met onze onmacht, het zich daardoor van Gods wil ontslagen achten, wordt dan ook niet geleerd maar verfoeid. „Ik kan niet, derhalve ben ik er van ontslagen, — „geldt niet voor een goed krijgsknecht Christi, maar dat geldt: „ik kan niet, derhalve 't zal, 't moet er door." (Brieven bl. 77.) „De Heere geve er mij kracht toe, schrijft gij; als gij het dus niet „doet,komt het daarvandaan, dat de Heere u geen kracht gegeven

„heeft? Doe wat de Heere u zegt, waar gij Zijn Woord

„hoort; zonder kracht — zoo is het geloof — dat heeft een „Woord Gods, en is zwak, ja besterft onder de overmacht en „overstelping der wederpartij, en ademt en zucht op, schoon

Sluiten