Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„wij zijn spoedig moede en mat, het gaat met ons maar zoo „langzaam voort, voetje voor voetje, en dikwijls nog vallen wij „dat wij zouden denken, niet weer te zullen opstaan. Maar „terwijl wij meenen achteruit te gaan en minder te worden is „dit toch in het geestelijk leven, als wij ons aan den Heere „Houden niet zoo, er is veeleer een gedurige wasdom, die voor „ons verborgen en niet met handen en voeten te tasten is, maar „die er nochtans is. Wij worden dus door dezen Geest hoe langer „hoe meer met Hem vereenigd. Man en vrouw, bruidegom en „bruid worden, indien er vreeze Gods en liefde is, met elkaar „vereenigd door het jawoord, vervolgens door het verwisselen „der ringen, daarna volkomen door de huwelijksvoltrekking „waardoor het op ééns is: twee - één vleesch. Maar in werkelijkheid wordt men door allerlei kruis, lijden, druk en nood, „en wat men zoo tezamen ondervindt, hoe langer hoe meer „met elkander vereenigd. Daar moge men van elkander verwijderd „zijn, zoodat bijv. de man verre van huis den koning dient „terwijl de bruid of vrouw achterblijft, - de band wordt door „de scheiding des te hechter, zoodat het inderdaad een „hoe „langer hoe meer" is; en heeft men ook in het begin van "zijn „huwelijk allerlei domme dingen gedaan en is men vaak van „weerszijden liefdeloos geweest, het is toch een wonder, hoe „alles, zelfs de dood, die anders alles scheidt, de beide dèelen „slechts te meer vereenigt."

En terwijl in de preeken over Rom. 6: 6, tegenover hen die den ouden mensch aan de hand willen houden en tegelijk van een zekeren wasdom droomen, machtig wordt gepredikt dat die voor altijd gestorven is, zoo laat Kohlbrügge in eené latere preek duidelijk ook, op grond van hetgeen eenmaal geschied is, het voortdurend afsterven van den ouden mensch tot zijn recht komen. „De oude mensch zijn de zonden, de „verkeerdheden, het schrikkelijke verderf, waarin wij ons sedert „Adam bevinden; en nu gebruikt hij verder dit beeld door te „zeggen: De bekeering bestaat in het afsterven van den „ouden mensch; niet, dat hij op eenmaal gestorven is al is „hij ook gestorven door den dood van Jezus Christus en' al is „het ook, dat men daarin de afsterving van zijn ouden mensch „ziet. In Jezus Christus is deze mensch ook voor het geloof „gestorven, maar naar 't gevoelen der dagelijksche ervaring „moet het, opdat hij, die gelooft, geloove, en de hoop levendig „worde gehouden, een afsterven zijn, zoodat de oude mensch „allengs sterft, opdat hij geheel sterve. Dit afsterven is met

Sluiten