Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„hen blijft, die hen troost en leert bidden, dat God de Heere „in hen doe en in hen werke wat Hij in Zijn genadeverbond „(Ezech. 36: 27) beloofd heeft, weshalve ook het zaad der „wedergeboorte in hen blijft (1 Joh. 3: 9) en hun gel of niet „ophoudt; en zoo mogen alle ellendigen, die op den Heere „hopen, de genade der volharding voor zeker houden." (Vragen tot zelfonderzoek 94).

In de preek over 1 Petr. 1: 2b—4 staat er (bl. 20): „Geloof, „hoop en liefde, deze drie blijven bij ons, hier beneden. Zij zijn „den uitverkorenen ingeschapen, ingeplant, ingegoten van God „den Vader, door den Heiligen Geest," maar er wordt aan toegevoegd: „en worden door dien Geest onderhouden." Zoo zegt hij ook in eene ongedrukte preek over Jac. 5: 11 over de lijdzaamheid: „Zij is eene gave Gods, en kleeft niet in de „ziel op zichzelve; maar gelijk de Heilige Geest inklevende „is, zoo ook de lijdzaamheid, en komt voor den dag, waar het „noodig is."

Hoe staat dus de vraag? Dat de Heilige Geest in den geloovige bezig is, hem inzet in de heerlijkheid van Christus, en alzoo in hem werkt alle deugd, alle liefde tot Gods geboden, het wordt met alle kracht geleerd.

Maar ontkend wordt door Van Lonkhuijzen, dat men nu mag spreken van den Christen in zichzelven, die vleeschelijk is, verkocht onder de zonden; hij kan uit de gemeenschapChristi niet meer weggedacht worden. Volgens Dr. Kuyper, zijn leermeester, wordt het binnenste „ik" des menschen bij de wedergeboorte vastgezet, zoodat het onmogelijk is, dat het weder in de verkeerde richting kan loopen. (Zie o.a. Gemeene Gratie II bl. 308)

Wij slaan echter op Johannes 15:4—5: „Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geene vrucht kan dragen van zichzelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft; alzoo ook gij niet, zoo gij in Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen."

Hier wordt dus het brengen van vruchten niet van ingeschapen qualiteiten afgeleid, maar van het zijn en blijven der geloovigen in Christus en van Christus in hen. En wanneer de Heere hen zoo ernstig vermaant, om in Hem te blijven, zoo is het op zichzelf zeer wel mogelijk, hen buiten Christus te denken, ja wat henzelven aangaat is er groot gevaar voor.

Hoe blijven zij dan in Hem? Het is de bewarende hand Gods. „Niemand zal ze uit Mijne hand rukken: de Vader, die ze

Sluiten