Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weging der zaak een anderen naam mogen geven dan aan de zaak zelve; zóó heeft liet Gode behaagd zulks te doen, „opdat wij „toch in ieder opzicht Zijne barmhartigheid zouden proeven en „smaken en verstaan, vanwaar zoowel de beweging des levens „als het leven zelf is." (IXe Twaalftal, Rom. 6 vs. 22. bl. 6.) Zoo heeft ook hijzelf in: „Eene Onderwijzing" een bijzonder hoofdstuk van Ood den Heiligen Geest en onze heiligmaking, waarin o. a. geleerd wordt, hoe de Geest alzoo in den mensch werkt, dat hij in waarheid alle zonde begint te haten en lust krijgt fot alle gerechtigheid (bl. 16, 17).

En wanneer Van Lonkhuijzen er op wijst, dat volgens die Belijdenis het geloof in den mensch gewrocht zijnde hem wederbaart en maakt tot een nieuwen mensch (Art. XXIV), en daarbij voegt in haakjes: „dus herschepping des menschen", zoo is het juist opmerkelijk, en geheel overeenkomstig hetgeen wij boven bij Kohlbrügge zagen, dat die nieuwe schepping hier niet wordt beschreven als instorting van nieuwe inklevende eigenschappen, > maar als zijnde door het geloof, en daarmede is tevens nog bijzonder het innerlijk verband tusschen geloof en werk gehandhaafd.

Dat dit geloof den mensch vrij maakt van de slavernij der zonde is geheel overeenkomstig de aanhaling hierboven (bl. 91)

over den wandel in ware vrijheid, juist uit de uitlegging van Rom. 7 (S. 15; zie ook S. 17); en wanneer Van Lonkhuijzen, zonder daarop te letten, zulks in tegenspraak wil brengen met andere aanhalingen uit Rom. 7, waar van het gebonden-zijn onder de zonde sprake is, zoo toont hij den Apostel Paulus, die zelf in Rom. 7 beide lijnen trekt, in dezen niet te begrijpen.

Voorts haalt Van Lonkhuijzen nog aan uit dat Artikel: „dat het onmogelijk is, dat dit heilig geloof in den mensch ledig zij", en dat het den mensch beweegt om zich te oefenen in de werken, die God geboden heeft; waarbij Van Lonkhuijzen in haakjes voegt: „dus geen passief zijn, maar zich toeleggen op". Over het „passief" of lijdelijk zijn hebben wij hierboven gesproken. En waar werkelijk geloof is, dat men in Christus met God verzoend tot Hem als Vader mag treden,

daar sluit juist dat geloof uit zoodanig zich toeleggen op goede werken, zoodanig zich daarin oefenen, als naar den geest der dienstbaarheid is; maar dit geloof oefent zich in dien zin, dat het voortdurend, dag aan dag, alles put uit de volheid van Jezus Christus, vraagt naar Gods Woord, en alzoo de liefde tot God en den naaste in praktijk brengt.' En zóó wordt „door de heilige

8

Sluiten